Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

viooft. ippr van het Chilias-

laiiuvyii i*v/v*v v»v -ww— —

m e nooit in de hand gewerkt, omdat de Heilige Schrift er geen grond voor geeft. (Zie o.a. Ned. Gel. bel. art. 37).

Maar in tijden van vervolging en verdrukking, ook in tijden van dor en doodsch dogmatisme kwam en komt de gedachte aan een vrederijk op aarde weer boven ; en niet zelden bij menschen, die we overigens gaarne erkennen als vromen en geloovigen.

De volgelingen van J e a n de Labad i e van Middelburg b.v. spraken van hun Kerk der heiligen, waarin zij het begin van het rijk der heerlijkheid hier beneden zagen.

Op het eind van de 17de en in de 18de eeuw, als overal in de Kerken een dor en doodsch dogmatisme overheerschend is en de vromen niet zelden begonnen zich terug te trekken in hun eigen kringen en gezelschappen ; waarbij we b.v. denken aan de Piëtisten, volgelingen van Spener — beginnen ook de voorstellingen van een komend vrederijk weer levendig te worden.

Verlangend zag men uit naar den tijd van geestelijke bevrijding en zalig Godsleven.

In die dagen waren ook Gereformeerde mannen van naam met de leeringen van het Duizendjarig v r e d e-r ij k behept, zooals b.v. Vader Brakel; niet Voetius ; wel de Cocceanen.

(J. A. Bemgel in Duitschland, Oetinger, Cumming en Lavater).

Ook in de dagen van het Reveil werd onder invloed van bekeerde Joden als N eander, Da Costa en C a p a d o s e, de Chiliastische idee hier en elders nog al sterk gepropageerd.

En van mannen als prof. Van Oosterzee, Chantepie de la Saussaye Sr., prof. dr. J. H. Gunning Sr., ds. Roozemeijer, van Arnhem, enz., moet ook worden getuigd, dat zij van Chiliastische smetten niet vrij waren.

Prof. Gunning spreekt b.v. van „de verrukkelijke beteekenis van de leer omtrent het duizendjarig rijk", die — zegt hij — „zoo vaak door kortzichtig misverstand des ongeloofs als onpractische droomerij ver-

Sluiten