Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I. De Vraag.

De vraag, welke de beteekenis is van het belijdenis doen, wordt telkens gesteld. Daarmede wordt dan bedoeld, zooals de meesten duidelijk zal zijn, die kerkelijke acte, waardoor men in de volle gemeenschap der kerk wordt opgenomen en toegang verkrijgt tot het Avondmaal.

Aan het verzoek om deze vraag eens uitvoerig te beantwoorden, heb ik gaarne willen voldoen.

De overdenking en beantwoording der vraag overtuigde mij opnieuw zeer klaar van de hedendaagsche kerkelijke en godsdienstige verwarring.

Bij de beantwoording van deze vraag blijkt toch onmiddellijk, dat wij deze vraag niet kunnen isoleeren van de andere kerkelijke en theologische vragen; het eene stuk blijkt ten nauwste met de andere samen te hangen, zoodat 't spraakgebruik, dat ons doet spreken van „de waarheid", niet onjuist is, wijl de afzonderlijke leerstukken niet onafhankelijk van elkander en naast elkander bestaan, maar tezamen een sluitend geheel vormen. Daarom is iedere dwaling zoo gevaarlijk, omdat een afwijking in een bepaald leerstuk altijd het

geheel der geopenbaarde waarheid aantast. Wie zich een oordeel vormt over het belijdenis doen, mag dit wel in gedachtenis houden. Het gaat hier niet om een practisch onderwerp van ondergeschikt belang; het gaat hier om een vraag, die ons verplaatst midden in de meest beteekenisvolle theologische vragen. Dat wij als gereformeerden hier lang niet allen één lijn volgen, is bewijs, dat er geschillen in eigen boezem liggen, die in de toekomst moeten worden uitgestreden ; anders zal er nooit eenige kracht van ons kunnen uitgaan in kerkelijk en theologisch opzicht.

De vraag naar de beteekenis van het belijdenis doen brengt onmiddellijk in aanraking met de vraag naar den zin van het Avondmaal en het wezen van de kerk. Vandaar naar het verbond en de sacramenten als zoodanig is maar één stap. Ten slotte blijkt, dat ook deze vraag weer samenhangt met de verhouding van het subjectieve en objectieve, geloof en openbaring, het voornaamste geschilpunt in heel de nieuwere theologie. En het zou dwaas zijn te meenen, dat wij als gereformeerden met die geschilpunten niet te maken hebben, wijl wij ons kunnen terugtrekken op de belijdenisschriften onzer kerk. Immers zoozeer

Sluiten