Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

. . i l rvnl/Nz-k-f Iron H1

versterking van nei zwa^c —

nen, vergeet de schrijver van het pleidooi te vragen en te onderzoeken.

Het is goed te verstaan, dat Appelius het met deze oplossing niet eens is en dat hij daarin een groot gevaar ziet, zoodat hij zich krachtig tegen verklaart. De ingewikkeldheid van zijn betoog laat echter zien, welk een moeite hij heeft om het ingebrachte bezwaar te weerleggen. Die moeilijkheid hangt daarmede samen, dat men zich in die dagen van het wezen des geloofs en van de zekerheid des geloofs gansch andere voorstellingen heeft gemaakt dan de reformatoren daarvan hadden en in onze belijdenisschriften tot uitdrukking worden gebracht. In de eerste plaats maakte men geen onderscheid tusschen de zekerheid des geloofs als zoodanig, de zekerheid, die aan het geloof inhaerent is, en de zekerheid des heils, d.i. de zekerheid des geloofs ten opzichte van een bepaald stuk, n.1. onze eeuwige zaligheid. In de tweede plaats liet men meer en meer de zekerheid des heils rusten op de aanwezigheid van bepaalde kenmerken van genade in de ziel. Maar daarmede doemde men de zekerheid ten doode. Want als ik geen zekerheid kan hebben van een kind Gods te zijn en in te zul¬

len gaan in de eeuwige vreugde, dan door te kunnen zeggen, dat ik vaste kenmerken van genade in mij bevind, hoe krijg ik dan van dat laatste weer zekerheid ? Want velen, die God vreezen, durven niet met zekerheid te zeggen dat zij de onweersprekelijke kenmerken van genade in zich bevinden. In het constateeren van dit feit zijn Appelius en de schrijver van het pleidooi het met elkander eens.

Indien het avondmaal alleen voor begenadigden is, zooals Appelius wenscht te verdedigen, en de meeste geloovigen niet verzekerd zijn, dat zij begenadigden zijn, op welke gronden kunnen dan deze zwakgeloovigen tot het avondmaal toetreden tot versterking van hun zwak geloof ? Appelius weet eigenlijk met deze vraag geen raad. Hij ziet de zwakgeloovigen als ware begenadigden en noodigt ze op dien grond ten avondmaal, maar zij zien zich zelf, zooals hij erkent, niet als ware begenadigden, durven het althans niet van zich zelf te zeggen; op welke gronden kunnen zij nu ook voor hun eigen consciëntie met vrijmoedigheid toegaan ? Om dit klaar te maken, zet Appelius een zeer ingewikkeld en spitsvondig betoog op, om te bewijzen, dat zwakgeloovigen, als de kenmerken van de

Sluiten