Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIL De belofte des verbonds of des evangelies, in den doop verzegeld.

Appelius is niet een enghartig man, die angstig Gods genade voor de groote menigte verborgen houdt, bang, dat iemand de handen daar naar zal uitsteken, die er geen recht op heeft. Hij is, zooals we hebben laten zien, een man van evangelischen geest, die het aanbod der genade zeer krachtig predikt en daarmede verbonden de verplichting om een geloovig en vrijmoedig gebruik van Christus te maken.

In den strijd met zijn tegenstanders is hij er echter toe gekomen om een onderscheid te maken tusschen de aanbieding des evangelies en de belofte des evangelies, deze laatste uitdrukking bepaald genomen in den zin, waarin de Heid. Catechismus dien gebruikt. Ten gevolge daarvan kan hij de doopsbeschouwing van den Catechismus en het formulier niet handhaven en komt met een nieuwe opvatting dienaangaande voor den dag, waardoor de doop voor den gedoopte als zoodanig alle beteekenis verliest.

Laten we met zijn eigen woorden het verschil, dat hij hier ziet, weergeven. Men kan deze uiteenzetting vinden in zijn Brief, behelzende de

voornaamste gronden en de bizondere meening van de hedendaagsche nieuwe leer der sacramenten, geschreven aan N.N. Uitgave van 1838, pag. 98. „Tussohen aanbieden en beloven" — zoo schrijft hij — „is een wezenlijk onderscheid. De „aanbieding of uitwendige roeping is geen vergaring, wat God doen wil, maar een voorstelling van de noodzakelijkheid en gepastheid der „genadegoederen voor ons, van onze vrijheid en „plicht dezelve aan te nemen, van den samen„hang tusschen het geloof en het dadelijk deelgenootschap, en van onze verplichtingen om te „gelooven. Derhalve handelt God in die aanbieding naar waarheid en oprechtheid. Doch belo„ven is een onveranderlijke verklaring van het„geen God doen wil. Hebr. 6 vers 17. Den onbe„genadigden wordt wel deze aanbieding, maar „geen belofte gedaan. Joh. 3 vers 36. Deze belofte „raakt alleen den geloovigen. Hebr. 6 vers 17 en „18 ; Gal. 3 vers 22".

Deze onderscheiding tusschen belofte en aanbod trekt Appelius zoo sterk door, dat volgens hem zijn tegenstanders, die beide gelijk achten, het wezen uit de belofte wegnemen, wijl zij in de belofte niet meer zien een verklaring van Gods onveranderlijk voornemen, (a.w.p. 26). Volgens deze uiteenzetting is dus een belofte Gods een profetie van wat God zekerlijk doen zal.

Sluiten