Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nu heeft de Catechismus van de sacramenten gezegd, dat zij teekenen en zegelen zijn, van God ingezet, opdat Hij ons de belofte des evangelies daardoor des te beter te verstaan geve en verzegele. Ook van deze belofte des evangelies wil Appelius volhouden, dat het een verklaring is van Gods onveranderlijk voornemen. En waar het hier een verklaring geldt met betrekking tot het schenken van genade, bedoelt de belofte des evangelies dus te spreken van die genade, die God zekerlijk krachtens zijn onveranderlijk voornemen wil schenken. Maar — en nu komen de moeilijkheden — als de kinderen gedoopt worden, verklaart God dan, dat Hij deze kinderen zijn genade schenkt en is deze verklaring dan een openbaring van zijn onveranderlijk voornemen ? Het is duidelijk, dat Appelius dat niet kan aannemen, want dan zou daarin besloten liggen, dat alle gedoopte kinderen zalig worden. Zoo blijft maar één uitweg voor hem over, ni. te zeggen, dat die belofte des evangelies, die in het sacrament verzegeld wordt, door den doop niet aan die kinderen, die gedoopt worden, hoofd voor hoofd verzegeld wordt, maar dat de belofte, volgens welke God krachtens zijn onveranderlijk voornemen genade bewijst, aan de geloovige Gemeente verzegeld wordt.

Hier zou de opmerking op haar plaats zijn, dat dan die geloovige Gemeente het sacrament

des doops moest ontvangen en niet die kinderen. Maar dan beroept hij zich op de belofte, aan Abraham gegeven, dat God ook belooft de God van zijn zaad te zijn. Daarom moeten nu volgens hem de kinderen gedoopt worden, omdat zoo aan de geloovige Gemeente op treffende wijze de belofte wordt voorgesteld en verzegeld, dat God ook de God van haar zaad zal zijn. Wijl we hier te doen hebben met een onveranderlijk voornemen, geldt deze belofte natuurlijk niet de kinderen als zoodanig, maar de uitverkorenen onder hen. Voor onze kinderen als zoodanig hebben wij volgens Appelius geen belofte Gods ; de beloften zijn alleen voor die kinderen, die eenmaal zullen wandelen in de voetstappen des geloofs van hun vader Abraham.

Het kost niet veel moeite om aan te toonen, hoe de Heid. Catechismus van een dergelijk gebruik van het woord belofte niet afweet. Men leze alleen maar het antwoord op de vraag, of men ook de jonge kinderen zal doopen. Daar wordt met nadruk gezegd, dat zij in het verbond Gods en zijn Gemeente begrepen zijn en dat hun door Christus' bloed de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, die het geloof werkt, niet minder dan den volwassenen wordt toegezegd. En het lijdt geen twijfel, of dit toezeggen is een omschrijving van beloven. Door den doop nu zegt Christus aan ieder gedoopte, dus ook aan ieder

Sluiten