Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gedoopt kind, toe, dat Hij het zoo zeker met zijn bloed en Geest wasschen wil, als het met het doopwater gewasschen wordt. Zie Vraag 71 van den Catechismus. Zoo wordt aan ieder gedoopt kind de belofte des verbonds verzegeld.

Een ander bewijs voor de stelling, dat de Heid. Catechismus het woord belofte niet neemt in den zin van Gods onveranderlijk voornemen, vindt men in de omschrijving, die de Catechismus geeft van den inhoud der belofte, volgens welke de belofte niet spreekt van hetgeen God zeker doen zal, maar van wat God doet en van wat God plechtig verklaart. Men leze daartoe slechts de Zondagsafdeelingen van doop en avondmaal, en dan zal het een ieder duidelijk zijn, dat Appelius afwijkt van den Heid. Catechismus.

Maar niet alleen van den Catechismus wijkt Appelius af in zijn verklaring van het woord belofte, maar ook van de Schrift. Tot één voorbeeld wil ik mij beperken, het bekende woord van Petrus : want u komt de belofte toe en uw kinderen. Dit woord spreekt Petrus tot de joodsche gemeente, die nog niet gelooft, die hij opwekt tot bekeering en geloof en door dit woord verklaart hij hun, waarom hij met die prediking des evangelies eerst tot hen komt, n.1. omdat zij het volk des verbonds zijn, en de belofte des verbonds hunner is en ook huns zaads. In zijn prediking kan Petrus thans uiteenzetten, hoe de inhoud van

die belofte veel heerlijker is dan zij ooit hebben kunnen denken, wijl God thans de genade, waarvan Hij in de belofte des verbonds spreekt, op zoo wondere wijze in de overgave Zijns Zoons heeft geopenbaard.

Natuurlijk kent ook Appelius dit woord van Petrus; hij geeft daarvan een verklaring, maar ziet voorbij, dat hij door die verklaring met zichzelf in tegenspraak komt. De woorden : u komt de belofte toe, kunnen volgens hem twee beteekenissen hebben. „Allereerst de belofte, die aan de „vaderen gedaan is, wordt aan u, hun kinderen, „voorgesteld en aangeboden met vrijheid en verplichting om dezelve door een waarachtig ge„loof aan te nemen. Ten andere kan de spreek„wijs ook beteekenen, u komt de belofe toe als „uw eigen goed, gij hebt de belofte in bezitting". We willen niet met hem twisten over die tweeerlei beteekenis, waarvan hij de eerste verkiest; het is voor ons doel voldoende eenvoudig op te merken, dat Appelius zijn eerste definitie van belofte, als sprekend van Gods onveranderlijk voornemen, hier plotseling loslaat. Want van een onveranderlijk voornemen kan men niet zeggen, dat het wordt voorgesteld en aangeboden. In het woord van Petrus neemt hij zelf de benaming belofte in den zin, waarin hij op andere plaatsen dien verwerpelijk acht.

Men gaat echter te ver, als men zegt, dat de

Sluiten