Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Die vrees is zeer goed te begrijpen. Zelfs gaat bij menigeen die vrees lang niet diep genoeg, anders zou men geen tien of twintig jaar door die vrees geschud worden, maar veel eerder daaruit worden verlost. Men misleidt echter zulk een mensch, als men zegt, dat het evangelie geen antwoord heeft op zijn angstig vragen. Te doen alsof er een bizondere openbaring van den hemel noodig is om te weten, of er genade bij God is voor zulk een zondaar, is een schrap halen door de openbaring, waarmede God zich geopenbaard heeft. En het evangelie spreekt niet alleen van rijke genade bij God, maar zoo iemand mag gewezen worden op het verbond, waarin God met zijn beloften tot hem gekomen is ; en in de verzegeling, waarmede Hij de belofte des evangelies in den doop heeft verzegeld, ligt de vaste aanduiding, dat die belofte ook voor hem persoonlijk is. Ik zeg niet, dat men met dat woord als in één oogenblik de vrees wegneemt en het geloof te voorschijn roept; het is niet in onze macht om een menschenziel uit de duisternis te brengen tot het licht; dat is het werk des Heiligen Geestes, maar wijl Hij het geloof verwekt door de prediking des evangelies, hebben wij dat evangelie te prediken en op te wekken tot een geloovig omhelzen van de belofte des evangelies.

Ten slotte komen wij met deze kwestie altijd weer terecht bij de vraag, of er o n v o o r-

waardelijke beloften Gods voor ons zijn.

Dat tal van beloften Gods voorwaard e1 ij k zijn, wordt door een ieder erkend. Ik behoef maar te wijzen op al die beloften, die met het geloof verbonden worden. Die in Mij gelooft, zegt Jezus, heeft het eeuwige leven. Zij zijn in de Schrift in grooten getale voor een ieder te vinden.

De vraag is echter nu, of er ook o n voorwaardelijke beloften Gods zijn, die ons gedaan worden zonder dat eenige eigenschap, eenige deugd, eenig kenmerk van genade, of wat men hier zou willen noemen, in ons wordt gevonden. Alleen zulke beloften Gods kunnen door een zondaar, die zich van God geoordeeld weet, vrijmoedig worden omhelsd. Van al de andere beloften, die aan de voorwaarde van geloof of eenige andere gestalte verbonden zijn, moet hij zeggen : zij zijn niet voor mij.

Zulk een onvoorwaardelijke belofte is nu de belofte des verbonds. Juist daarom is het mogelijk, dat de kinderen gedoopt worden en dat hen in den doop die belofte wordt verzegeld. Deze belofte gaat aan het geloof vooraf en wordt ons van God gedaan, opdat wij die in een waar geloof zouden omhelzen. Deze belofte is voor ons, ook als wij beseffen, dat wij door onze zonden nergens aanspraak op kunnen maken. Deze belofte moet den zondaren worden voorgesteld, of zij nog berouw mochten hebben van hun zonden

Sluiten