Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat Appelius zich in allerlei bochten wringt en al deze onderscheidingen noodig heeft om de conclusie van het pleidooi te kunnen afwijzen, dat de sacramenten voor de bondgenooten zijn en dat, als het sacrament des Doops mag worden toegediend aan al de kinderen des verbonds, al weten wij niet, of zij verkor enen zijn of niet, dan ook het sacrament des Avondmaals van allen, die tot het verbond behooren, dus alle gedoopten, mag worden gebruikt, afgezien van de vraag, of zij begenadigden zijn of niet.

Deze conclusie van het pleidooi verliest onmiddellijk haar waarde, als men zich het verschil tusschen den Doop en het Avondmaal realiseert.

Het eigenaardige van den kinderdoop toch is, dat daar het verbond der genade tot openbaring komt in zijn eenzijdig karakter als een testament, dat is als een beschikking Gods. Zeker een genadige beschikking, maar toch een beschikking door God in Zijn vrijmacht genomen. Wie hier een testament maakt, vraagt niet eerst aan zijn erfgenamen, of zij instemmen met de laatste wilsbeschikking, zooals hij die zich gedacht heeft en door den notaris heeft laten beschrijven. Als iemand, die de vrije beschikking over zijn eigen goed heeft, wenscht hij naar eigen wensch in deze zaken te handelen. Op dezelfde wijs moet ook het verbond der genade gezien worden als een vrije beschikking Gods, waarin God Zijn ge¬

nade toedeelt aan die Hij wil, zonder vooraf te vragen, of zij daarmede instemmen. In dit licht bezien kon God niet alleen tot Abraham zeggen: Ik richt Mijn verbond op tusschen Mij en u, maar kon Hij daar tevens op laten volgen : en uw zaad na u. Was het voor de oprichting van het verbond der genade noodig, dat de andere partij in die oprichting toestemde, zoo had God nooit met Abrahams zaad dat verbond kunnen oprichten, want dit zaad moest, toen God het verbond met hen oprichtte, nog geboren worden en van een geven van hun toestemming kon dus geen sprake zijn.

Hier ligt nu juist de schoonheid van den kinderdoop, dat God onafhankelijk van den mensch en onafhankelijk van iets, dat in den mensch gevonden wordt — want zulk een kind kan nog niet bidden of smeeken, heeft zelfs nog geen bewustzijn van zijn eigen bestaan en dus nog minder van zijn zondig bestaan — in Zijn wondere vrijmacht tot dat kind wil zeggen : gij zijt Mijne. Zij, die hier aanstoot aan nemen, verschuilen zich vaak achter een mom van ernst; zij willen gewezen zien op de noodzaak van bekeering en wedergeboorte, maar wijl deze beide waarheden volstrekt niet met elkander strijden, toonen zij duidelijk, dat zij zich stooten aan de vrijmacht van Gods genade en dat zij bekeering en weder-

Sluiten