Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woorden. Ik geloof daar niets van, dat de groep, die dan gewetensbezwaar zal hebben, tot de ernstigsten gerekend moet worden. Want het is de groep, die met een ijskoude verharding, die een godvruchtig gemoed vaak doet huiveren, belijdt, dat men onbekeerd is. Dat men zulks belijdt en diat men zulks zoo rustig belijdt, vinden zij heel gewoon ; zij achten het zelfs als een bewijs van oprechtheid en eerlijkheid, om der wille waarvan zij behoorden geprezen te worden in plaats van gelaakt.

Ik zeg niet te veel, als ik beweer, dat deze geest onder ons haast een heel gewoon verschijnsel is geworden. En dat zelfs menig godvruchtig gemoed dit verschijnsel zeer gewoon acht, bewijst hoever wij zijn weggezonken en hoezeer men in de Christelijke Kerk de banden, waarmede God ons gebonden heeft, heeft verscheurd.

Wat zou men er toch wel van zeggen, als onder ons menschen werden gevonden, die zich beroemden in de booze stukken, die zij hadden uitgehaald ? Van groote onbeschaamdheid zouden we spreken en zeggen met den profeet: zij spreken hun zonden vrij uit, gelijk Sodom en Gomorra.

Maar als menschen met de grootste vrijmoedigheid belijden, dat zij onbekeerd zijn en dat zij het geloof tot zaligheid missen, is dan deze vrijmoedigheid eigenlijk niet dezelfde onbe¬

schaamdheid ? Want daarmede spreekt men toch openlijk uit, dat men aan de kennis van Gods wegen geen lust heeft.

En nu weet ik óok wel, dat deze menschen, die zulks belijden, niet bedoelen om onbeschaamd met hun zonden te koop te loopen, maar dat zij veeleer meenen, dat deze hun belijdenis een bewijs van waarheidszin en oprechtheid is ; maar juist daaruit blijkt, hoe ver zij bezijden het pad der waarheid wandelen.

Nooit zouden zij tot deze onbeschaamde belijdenis van hun verharding gekomen zijn, indien zij eenig besef en gevoel hadden gehad van hun verplichting tot een waar geloof. Ik zeg niet, dat dit besef en gevoel voldoende zijn om het geloof te verwekken, maar ik beweer alleen, dat, als men een goddelijke verplichting tot iets erkent, men het niet openlijk gaat uitroepen op de straten, dat men zich aan die verplichting heeft onttrokken.

Wij gevoelen als christenen ons verplicht om de Schrift te lezen en dagelijks ons in gebed tot God te wenden. Niet ieder christen volbrengt deze zijn verplichting, maar dat roept men niet uit voor aller ooren ; dat verbergt men veeleer, want men wil toch niet graag den naam hebben een goddelooze te zijn. Daarom moet er iets niet in orde zijn, als men zich niet meer schaamt de verplichting tot een waar geloof op zij te zetten

Sluiten