Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en de verwaarloozing van deze verplichting met luider stem gaat uitroepen.

Er is dan ook een gewichtige zaak niet in orde. Het geweten van deze menschen is zeer ernstig ziek. Ofschoon het Woord des Heeren zeer toornt tegen hen, die in ongeloof hun weg gaan en in onboetvaardigheid weigeren zich te bekeeren, is nochtans hun geweten voor deze sprake absoluut gesloten en wordt niet de minste weerklank daarvan in hun binnenste vernomen.

Het is van groot gewicht, dat de diagnose hier juist wordt gesteld. Maar moeilijk is deze niet; de oorzaak van de kwaal ligt in een verderfelijke dwaling, die is ingeslopen. Men is van oordeel, dat men wel verplicht is de tien geboden te onderhouden, maar dat op den mensch geen verplichting rust tot een waar geloof.

Deze dwaling is slechts voor een klein deel te wijten aan de eenzijdige uitwerking van de gedachte, dat de mensch onbekwaam is tot een waar geloof en dat zulk een waar geloof een gave Gods is. Immers de mensch is ook onbekwaam om de wet der tien geboden te volbrenlen en toch gevoelt men vaak nog eenigermate, al is het dan niet in die mate, waarin dat het geval behoorde te zijn, dat men verplicht is in die geboden Gods te wandelen en dat de onmacht des menschen hem in geen enkel opzicht vrij pleit. Men staat, ook bij dezelfde beschouwing

van 's menschen onmacht, tegenover de verplichting tot een waar geloof anders dan tegenover de verplichting tot een wandelen in Gods imzettingen.

De oorzaak daarvan ligt dus niet alleen in een misbruik van de leer van 's menschen onmacht, maar veel meer daarin, dat men het verbond heeft te niet gedaan en de onvoorwaardelijke belofte des verbonds den menschen ontnomen heeft. Dat men met zijn gebrek aan geloof en bekeering onbeschaamd te koop loopt, komt niet allereerst daaruit voort, dat men meent niet te kunnen gelooven, maar dat men van oordeel is, dat men niet behoeft te gelooven, dat men zelfs niet mag gelooven. En als men niet mag gelooven, dan is ongeloof geen zonde, dan wordt zelfs geloof tot zonde. Vandaar dat het een heel gewoon verschijnsel is, dat zij, die openlijk hun ongeloof uitroepen, aan hen, die gelooven of hun geloof belijden, dat geloof kwalijk nemen. Het komt hen niet toe te gelooven, zoo meenen zij ; zij eigenen zich zelf maar wat toe ; zij denken door hun eigen werk zalig te worden.

Aan deze beschuldiging ligt de gedachte ten grondslag, dat er eerst wat met een mensch moet gebeurd zijn, voordat hij recht heeft de beloften van Gods genade te omhelzen. Als er echter met een mensch niets gebeurd is, heeft hij geen recht daartoe en is dus vrijgesteld van

Sluiten