Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geen belijdenis doet, zoogenaamd omdat zij daartoe niet bekwaam zijn, even -huichelachtig is, want onder een mom van vroomheid blijft zij ook voortwandelen op den weg der zonde.

Ten tweede, wijl het beter is, dat onze kinderen uitwendig zich voegen tot den weg des Heeren dan dat zij die openlijk verloochenen. Want welk Christenouder zou zijn kind gaarne zien in gezelschap van dieven of zich schuldig makende aan dronkenschap ? Ook al is er geen reden om van een hartelijke bekeering bij hen te spreken, zoo ziet men toch gaarne, dat zij zich schikken naar Gods geboden, al is het maar uitwendig Welnu, is het dan ook niet beter, dat zij zich schikken naar den eisch des geloofs, al ontbreekt misschien de overgave des harten, dan dat zij openlijk hun ongeloof en onboetvaardigheid uitroepen en door zoodanige onbeschaamdheid hun harde hart nog harder maken ?

Maar zegt er een, dan zullen velen van hen zich op schrikkelijke wijze bedriegen voor de eeuwigheid. Ik wil het niet ontkennen, maar men vergist zich ten eenenmale, als men meent, dat zij, die openlijk en vrijmoedig belijden, dat zij onbekeerd zijn, zich zelf niet misleiden voor de eeuwigheid. Zij zeggen wel, dat zij zonder geloot en bekeering zijn, maar niettemin achten zij zich zelf getrouw door dit te belijden en maken van deze belijdenis vaak heimelijk een grond, waar

zij op bouwen. Dat blijkt duidelijk uit de wijze, waarop zij neerzien op de menschen, die altijd spreken van het geloof. Zij verraden ook vaak zich zelf door te zeggen : een mensch kan het nooit zwaar genoeg opnemen. Dat noemen zij zwaar opnemen: met hun eigen naaktheid onbeschaamd te koop loopen; hoe weinig besef moeten deze menschen toch wel hebben van den strijd des geloofs, als een dergelijke zondige eigengerechtige belijdenis reeds een bewijs is van „zwaar opnemen".

Bovendien moet men niet vergeten, dat juist om aan zelfbedrog te ontdekken de Kerk zoo ernstig haar leden heeft te vermanen zich zelf te beproeven. Deze taak, een voornaam onderdeel der prediking, rust op het algemeene verschijnsel, alle eeuwen door, dat velen geneigd zijn het geloof te belijden zonder dat dit geloof in het hart geworteld is. Deze roeping der Kerk veronderstelt dus juist de noodzakelijkheid en de verplichting van de belijdenis des geloofs. Zij strijdt niet met wat wij beweerd hebben, maar komt daarmede geheel overeen. Maar zij, die het zoo zwaar opnemen en geen belijdenis daarom willen doen, zij bannen deze roeping der Kerk ten doode, want het woord van den apostel : onderzoekt u zelf, of ge in het geloof zijt, kan men wel richten tot hen, die beleden te gelooven maar niet tot hen, die openlijk zeggen, dat zij zonder

Sluiten