Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heid tot den stam van Juda, de priesterlijke tot dien van Levi ; in Christus zijn zij beiden vereenigd en alzoo ook in degenen, die Christus toebehooren.

Koningen worden geacht boven anderen voortreffelijk te zijn. Zij zijn bekleed met majesteit en voeren krijg tegen hunne vijanden. En nu, de gewasschenen door het bloed des Lams, ook zij zijn in een zinnebeeldigen zin koningen. In 's Heeren oogen werden zij dierbaar. De Almachtige legt iets op hen van Zijne heerlijkheid. In Zijne kracht strijden zij tegen den Duivel, tegen de wereld en hun eigen vleesch en eenmaal wordt voorzeker de belofte in hen vervuld: „ die overwint, Ik zal hem geven te zitten op Mijnen troon, gelijke r wijs lk overwonnen heb en ben gezeten op den troon Mijns Vaders." Priesters, zij waren onder liet oude Verbond Gode toegewijd; zij offerden; baden en zegenden: en de gewasschenen door Jezus bloed, zij zijn insgelijks in zinnebeeldigen zin priesters; ook zij zijn van God uitverkoren; zij offeren zichzelven den Heere tot een levendig dankoffer; zij volharden in de gebeden en zegenen zelfs die hen vloeken. Tot zulke Koningen en Priesters, zegt Johannes, had de Heer hem en zijne medegeloovigen gemaakt. Neen, zij zeiven hadden zich niet tot die hoogte verheven, maar dat had de Heiland, de Almachtige Jezus gedaan. Te voren waren zij driftige dienaars der wereld, vrijwillige slaven der zonden, ijverige volgers van den Duivel en alzoo erfwachters van de treurigste rampzaligheid. Maar door het alvermogen van Christus waren zij geheel andere menschen geworden. Hij had Zijn Geest uitgestort in hunne harten, „ dood zijnde in zonden en in misdaden, waren zij levendig gemaakt!' Bij hen was het oude voorbijgegaan en het al nieuw geworden. En nu, ontrukt aan de heerschappij der zonde, leefden zij Gode, verwachtende de ure, in welke zij hunnen Zieleredder zouden aanschouwen, in welke zij hunne priesterlijk-koning-

Sluiten