Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mij met haar niet troosten. Ik moet dus weten of ik wel in middelijke en onmiddelijke betrekking sta tot Christus. De zaligheid mijner ziele hangt daar geheel van af, want ik geloof en weet het de zaligheid is in niets, in niemand anders. — Vraagt gij wat ik daardoor versta? — Ik sta in middelijke betrekking tot den Heere, als ik door het geloof in eenvoudige opregtheid mag wandelen voor Zijn aangezicht. Als ik, hoe langzaam ook, mag ontwaren, dat de oude mensch in mij dagelijks meer en meer begint te sterven, en de nieuwe mensch in mij is beginnen te leven. Als ik, niettegenstaande mijne groote onwaardigheid, mag gelooven deel te hebben aan Christus , en Zijn woord en Zijne sacramenten mij onmisbare schatten en verzegelende onderpanden van Zijne genade zijn geworden. Ik sta vooral in middelijke betrekking tot den Heere, als ik het niet missen kan in de eenzaamheid de knieën voor hem te buigen, en als deze omgang met God het leven mijner iiele is geworden. — En in onmiddelijke betrekking sta ik tot Hem, als ik mag gelooven, tot roem van Zijne genade; dat ik door den Heiligen Geest ben wedergeboren tot eene levende hoop. Want heeft God daartoe Zijn woord en Zijnen Geest gebruikt, toch moet ik om niet geregtvaardigd worden. Van mijne zijde behoefde of kon daaraan niets te worden toegebragt, want zelfs het geloof, dat de eenigste voorwaarde daartoe is, moet ik nog van God ontvangen, om Christus wil, die de eenigste voleinder is des geloofs. Is dit dus zoo bij mij, dan is dat mijn troost dat mijn hart er amen op zeggen mag dat Christus de eenigste naam is door welke ik zalig worden kan.

Dit onderzoek moge de waereld te naauw noemen, voor de rust mijner ziele kan het niets minder. Want of ik al omga met de vrienden des Heeren, dat zegt mij nog niets, zoolang ik niet weet dat de Heere Jezus mijn vriend is. De dwaze maagden gingen ook wel met de wijze maagden om, tot ain de poorte des Hemels, maar verder niet, want zij kwamen daar toch niet binnen.

Hoe meer ik over dit een en ander nadenk, hoe meer de wensch in mij verlevendigd wordt om zalig te worden, en hoemeer ik naar de mogelijkheid daarvan vraag. En dat wordt mij noch door mijne goede daden, noch door mijne vroomheid, noch door ootmoed, noch door smeekingen of verzuchtingen, noch door tranen of gebeden beantwoord. Maar als ik in waarheid een kind Gods ben dan is dat het eenigste andwoord dat mij gerust stelt en vertroost: de zaligheid is in geenen anderen; want er is ook onder den Hemel geenen anderen naam die onder de menschen is gegeven door welken wij moeten

Sluiten