Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zalig worden, dan den naam van Jezus Christus Gods Zoon.

Buiten Christus valt er dus voor mij aan geen zalig worden te denken; maar in Christus alleen en in Christus ook zeker.

Mag ik mij dus als een arm en verloren zondaar werpen in de eeuwige armen van Gods ontferming en in de doorboorde handen van den Heere Jezus Christus, en mij zonder iets van mij zeiven mede te brengen overgeven aan de vrije genade van een verzoend drieëenig God, dan geeft Zijn woord mij dezen troost dat er in Christus voor mij alléén, maar ook ontwijfelbaar zeker in Hem zaligheid te vinden is.

Deze troost geeft mij de waereld niet, alleen het woord van God. Want dat woord is onfeilbaar. Daarop mag ik mij verlaten voor tijd en eeuwigheid.

En is deze troost de uwe, volk des Heer en! dan moogt gij u ook daarop verlaten, daarop zaliglijk leven en sterven en zonder vreeze eenmaal de eeuwigheid ingaan, want er is geene verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vleesch wandelen maar naar den Geest.

IV. T. H,! Hoofd voor hoofd rigt ik de vraag tot u: wilt gij zalig worden? — Maar stelt u eens voor dat de Heer hier bij u stond, en terwijl Hij u vriendelijk in de oogen zag, de zelfde vraag tot u rigtte, wat zoudt gij andwoorden? —■ Zoudt gij allen tot Hem durven zeggen: Ja Heere, gij weet dat ik gaarne wensch zalig te worden. — Zoudt gij even als Petrus op de vraag: „hebt gij mij lief?" durven andwoorden: ja Heere gij weet dat ik u lief heb? Want zonder dat gij Jezus lief hebt, is hij onmogelijk voor u de eenigste dien gij verkiest tot uw zaligheid.

En, als de Heere u dan nog eens vroeg: maar bij wien zoekt gij de zaligheid? zoudt gij dan vrijheid en moed hebben, om met een open gelaat Hem aan te zien en te zeggen: Heere Jezus gij weet het dat ik bij niemand en bij niemand anders de zaligheid zoek, dan bij U alleen ? — Neen dat kunt gij allen niet. Want daar zijn vele ongelukkigen onder u, die zoodanig leven alsof zij nooit aan zalig worden, of verloren te zullen gaan behoeven te denken.

Onverschilligen! waarin zoekt gij de zaligheid? — Daar is reeds jaren lang aan uwe zielen gearbeid, en gij hebt er u nog nooit aan laten gelegen liggen. Gij hebt gehandeld alsof de prediking des Evangeliums, de ernstigste waarschuwingen u niet aangingen. God heeft den Engel der bezoeking met krankheden en met den dood gewapend, rondom u gezonden. Gij hebt hem zien voorbijtrekken, duizende slagtoffers zien brengen aan de eeuwigheid, en omdat God, in Zijne lankmoedig-

Sluiten