Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

inderdaad de plaats is, waar ons de zegeningen deigenade Gods toevloeijen. Uier spreekt de mond deiwaarheid tot ons in het woord der prediking; hier worden ons de heilige zegelen des verbonds bediend; hier is de plaats der gemeenschappelijke aanbidding. Voorwaar, wij mogen die plaats het huis Gods heeten en de poorte des hemels, en verrijst daar een nieuw bedehuis voor de gemeente op aarde, dan mogen wij Gods weldadigheid roemen als wij er binnentreden om te aanbidden.

Mij dunkt, het woord van den Dichter is de uitdrukking van onze feestelijke stemming in dit uur, en het geeft mij aanleiding om U op te wekken tot eene blijvende, heilige gedachtenis van hetgeen wij thands dankzeggende roemen.

Wij zingen vooraf uit Gezang XVI: 1, 10, 14.

God is mijn lied:

Hij is de God der krachten,

Heer is zijn naam, groot zijn zijn werken te achten, Het gansch heelal is zijn gebied.

Niets, niets is 't mijn,

Maar alles Gods geschenken,

Mijn hart, o Heer! zal eeuwig aan U denken,

Uw lof op mijne lippen zijn.

Valt hier op aard,

Geen musch dan met Uw wille,

Heer! dat mijn hart zich met dien troost dan stille,

Dat de eigen zorg ook mij bewaart.

Sluiten