Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voorzang: Ps. 144 : 2.

Wat is de mensch? wat is in hem te prijzen,

Dat Gij, o Heer! hem gunsten wilt bewijzen;

Dat Gij hem kent ? Wat is des menschen kind,

Dat Gij het acht, en zoo getrouw bemint ?

Hij mag den naam van ijdelheid wel dragen ;

Zijn tijd is kort, en al zijn levensdagen,

Hoe groot, hoe sterk hij op deez' aarde zij,

Gaan snel, gelijk een schaduwe, voorbij.

Ps. 90 : 1.

Gij zijt, o Heer! van d' allervroegste jaren,

Voor ons geweest een toevlucht in gevaren.

Eer berg en rots uit niet geboren waren.

Eer d' aarde rnstt' op hare grondpilaren,

Van eeuwigheid, o God, die eeuwig leeft!

Zijt Gij de God, die eind noch oorsprong heeft.

Bij het einde van elk jaar, Geliefden, maar vooral bij het einde eener eeuw, maakt zich van ons meester een gevoel van de veranderlijkheid, de wisselvalligheid van al het ondermaansche.

Weer een jaar voorbij! Een kring van 365 dagen! Een zoo groot gedeelte van het leven van een iegelijk onzer.

Weer een eeuw voorbij! Een tijdperk van honderd jaren! Met alles wat daarin voorgevallen is, in elk hart, in elk huis, in alle landen en werelddeelen.

Het is nu alles voorbij, en keert nooit weder terug.

De overgang van eeuw tot eeuw is daarbij iets, M. H. dat wij menschen maar éénmaal beleven, dat maar éénmaal in ons inenschelijk leven voorvalt. En dat niet eens in het leven van alle menschen. Het geslacht dat ons vóórging en het geslacht dat op ons volgt, deelen in zulk een overgang niet.

Is het dan te verwonderen dat het besef onzer vergankelijkheid en der veranderlijkheid van alle dingen hier beneden, ons in dezen oogenblik nog meer aangrijpt dan bij den gewonen overgang van jaar tot jaar?

Het kan u daarom ook niet verwonderen, dat de indruk van die veranderlijkheid op den voorgrond staat in de ziel van den prediker, die in dezen avondstond voor de gemeente moet optreden, en bij den overgang van eeuw tot eeuw een gepast woord moet trachten te spreken.

Sluiten