Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Algemeen stemt men toe, dat aan de oude Grieken een eerste, ik zou bijna zeggen, een beslissende stem toekomt, waar het vragen geldt die tot het gebied van het schoone behooren. Inderdaad ook, er was geen volk in de oudheid, dat een hooger trap van kunst-ontwikkeling bereikt heeft dan de Grieken in de klassieke periode van hun geschiedenis. Bijna op elk gebied van het schoone moeten wij zoowel de diepte van hun opvatting als de zuiverheid van hun smaak bewonderen, op dat van poëzie die waarlijk poëzie mag heeten, van sierlijke en krachtvolle geschiedbeschrijving. van welsprekendheid, van alle beeldende kunsten. Al zijt gij voor 't overige vreemdeling op het gebied van de grieksche literatuur, toch kent gij de namen van een Homerus, Hesiodus en Sophocles , een Herodotus en Thucydides , een Demosthenes , een Appelles en Phidias en Praxiteles, en wie al niet meer! Hoe oordeelden nu de Grieken over onze vraag? Zie, voor hun innigst gevoel was er een onverstoorbare verwantschap tusschen het goede en het schoone, tusschen godsdienst en kunst; zij verbonden het goede en schoone met elkander tot één enkele gedachte, zoodat in hun taal zelfs de namen van het goede en het schoone zamenvloeiden tot één ondeelbaar woord. Als nu Schiller in de pas genoemde ode zegt:

Toen gold niets voor heilig dan het schoone!

dan is dit volkomen juist, maar dan had de dich-

2*

Sluiten