Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat was u, zee! dat gij vloodt?

Jordaan! dat gij terugweekt?

Bergen! dat gij huppeldet als rammen?

Heuvelen! als jonge lammeren?

Beef, gij aarde! voor het aangezigt van den Heer, Voor het aangezigt van Jakobs God,

Die den rots verandert in een vloed,

l)e harde kei in een fontein!

Eindelijk nog een wat uitvoeriger proeve van een leer- of vermaandicht. Gelijk gij weet, is deze soort uit haar aard gewoonlijk vrij laag gestemd. Inderdaad ook is de stof — zedelijke vermaning — meer ernstig dan dichterlijk. Gij moogt er dan wel een bewijs in zien, hoe het verheven Jehovageloof ook deze stof zelfs wist te verheffen tot ware poëzie. Vergeet het niet, 't is maar een vermaandicht, dat wij nu laten volgen.

De God der goden, Jehova spreekt,

En roept het aardrijk op,

Van daar de zon verrijst Tot daar zij nederdaalt.

Uit Zion, de kroone der schoonheid!

Verschijnt God met glans.

Onze God komt, en hij houdt zich niet stil.

Verterend bliksemvuur gaat voor hem uit, Rondom hem buldert de stormwind.

Tot den hemel van boven roept hij,

En tot de aarde, om zijn volk te rigten:

//Verzamelt mij mijn gunstelingen,

//Die mijn verbond bij offers sloten!"

Sluiten