Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geweten ons toelaat, de roeping zullen vervullen, die ons is opgelegd, maar de vraag is, of we kunnen deelnemen aan een verering van de koninkrijken dezer tegenwoordige wereld, zonder dat we het koninkrijk, dat „niet van deze wereld is", innerlijk verloochenen.

En deze vraag moet ieder mens voor zichzelf beantwoorden. Maar gelijk we als christenen samen leven in het éne koninkrijk, zo gaat ook ons aller hart uit naar het andere. En zo kan het dus goed zijn ons samen te bezinnen op de verhouding van die beide „koninkrijken", en van het inzicht, dat we daarna verworven hebben, met bescheidenheid te getuigen.

De eerbied van den christen voor het staatsgezag. Rom. XIII.

Het christendom, — godsdienst der liefde, als het is, heeft van zijn eerste ontstaan af jegens het staatsgezag een inschikkelijke en meegaande houding aangenomen, en deze zit ieder, in wiens ziel nog iets van de traditie van het christendom voortleeft, als in merg en been. Geen volgeling van den zachtmoedigen Zoon des mensen kan een oproerling of een weerspannige zijn. Het christendom kent in dat opzicht géén reserve. Het leert ons, dat we onderdanig moeten zijn „niet slechts aan de goede machthebbers, maar ook aan de harde en onrechtvaardige". En dat niet uit vrees, of uit utiliteitsoverwegingen, maar omdat aan elk overheidsgezag een stuk goddelijke ordening ten grondslag ligt. Daarom moet elke opstand, om welke reden dan ook, en elk daadwerkelijk verzet tegen de overheid, ook al was ze de alleronrechtvaardigste, de allerbooste, en de allerwreedste, volstrekt en volstrekt worden afgekeurd. In een tijd,

Sluiten