Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I. aan zulk een persoon titels geeft, en vormen jegens hem in acht neemt, welke de grenzen van het gewoon-menselijke te boven gaan, zodat ieder objectief buitenstaander moet erkennen, dat ze een goddelijk, in elk geval transcendent karakter dragen;

II. als de gewoonte zich heeft ingeburgerd om zulke personen of zijn ganse familie in één adem te noemen met religieuze waarden, en daarmede feitelijk op één lijn gesteld worden;

III. als deze verering in de zielen der mensen een ontroering of een extase teweegbrengt, welke men anders alleen maar ontmoet op het terrein van het religieuze leven;

IV. als ze daardoor jegens degenen, die aan deze verering niet meedoen, vervoerd worden tot een bitterheid of een misnoegen, welke inderdaad het karakter vertoont van religieuze onverdraagzaamheid.

Religieuze titels en vormen.

Wat nu het gebruik van titels betreft, willen we met een paar sprekende voorbeelden volstaan.

In het jaar 1913 nam iemand eens zijn intrek in een eenvoudig burgerpensionnetje ergens in het Rijnland. Daar zag hij in de eetkamer een portret hangen van keizer Wilhelm II, natuurlijk in generaalsuniform. Om een praatje te maken, hield hij zich van den domme en vroeg aan de hospita: „Wie is dat ?" — „Ach," zei ze op een toon, alsof ze zeggen wilde: „weet je dat niet eens? Das ist unser allergnadigster Herr!" — „Hoe ?" zei de bezoeker rustig, „is dat Uw dllergenadigste Heer? — Wie IS dat dan?" — „Wel, de keizer!" zei ze. — „Maar als

Sluiten