Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

U dien Uw allergenadigste Heer noemt, hoe noemt U dan „den lieben Herrgott?" — „Ah, das ist auch ein allergnadigster Herr!" zei ze, maar op hetzelfde ogenblik begon ze lichtelijk te kleuren en ving maar haastig aan met tafeldekken. — Waakte er ineens een herinnering in haar ziel op aan het oude bijbelwoord: „Gij zult geen andere goden voor Mijn Aangezicht hebben?"

In diezelfde tijd kon men lezen, dat de zoon van dezen mens, student zijnde te Bonn, door zijn medestudenten betiteld werd als „Göttliche Caesar". Men verontschuldige deze dingen niet door te zeggen dat het hier in het éne geval maar een kwestie van vorm, en in het andere slechts een „studentikoze uitdrukking" geldt, want zulke vormen en uitdrukkingen zijn werkelijk niet zo onschuldig. Er is ook nog een bijbelwoord, dat zegt, dat de mens uit zijn woorden, ook uit zijn ijdele woorden, geoordeeld zal worden, en een ander woord, dat hem van Godswege waarschuwt: „Ik geef Mijn eer niet aan anderen, en Mijn lof niet aan de gesneden beelden." — Dien reiziger, die nog nooit zo pardoes tegenover deze dingen had gestaan, werd het tenminste daarbij angstig om het hart; het was hem, alsof hij over dat mooie, zonnige land de wolk van een oordeel zag hangen; en wie, die de correspondentie van Wilhelm II gelezen heeft, welke door Kautsky is uitgegeven en indertijd in de Nieuwe Rotterdamsche Courant is afgedrukt, kan zich ontworstelen aan de gedachte, dat een jaar later deze zelfde man, na de moord op de aartshertogen te Serajewo, bescheidener en rustiger zou zijn opgetreden, en daardoor het lot van Europa, dat vaak zo van kleinigheden afhangt, mis-

Sluiten