Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontnomen, hem een verzekerd bestaan zullen verschaffen.

Juist het zich niet bewust zijn van het wezen van eigen natuur verhindert den mensch te beseffen, dat geen ding ter wereld eeuwig stand houdt, wat hem tevens in den waan laat, dat hij zijn rust slechts van het bezit te verwachten heeft.

Doch al wat ter wereld verschijnt, verschijnt om te verdwijnen ; de wereld der dingen is een wereld van eindeloos worden en verworden, van ontstaan en vergaan. Tot dit inzicht komt de natuurlijke mensch niet; hij wordt het komen en gaan der dingen wel gewaar, doch de ware zin van dit alles dringt niet tot hem door, omdat hij zich niet bewust is van zijn eigen doen. En omdat hij dit komen en gaan dus ook wel weer opmerkt, zal hij er steeds op uit zijn, zijn bezit te vermeerderen, zich te verrijken, opdat hij op deze wijze de vergankelijkheid minder aan den lijve zal gevoelen.

In het verméérderen ligt voor den natuurlijken mensch de oplossing van het komen en gaan der dingen: tegenover het verminderen der dingen stelt hij het streven naar het steeds grooter maken van zijn bezit. Voor hem is er geen andere uitweg zich beveiligd te voelen voor den natuurlijken angst, voor de onrust zijner eigen natuur.

Dit wil dus zeggen, al verbruikt de natuurlijke mensch zijn bezit niet op de wijze, zooals hij dit voor zijn voeding noodig acht, hij gebruikt het toch zoolang het in zijn macht is, zoolang hij er mee kan handelen naar eigen

Sluiten