Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De natuurlijke mensch, voor wien het bezit het voornaamste in het leven is, vooral als dierbaar bezit, vermag slechts te gelooven in het hoogere, in Gods almacht, wanneer hij deze beleven kan als een wonder van buiten-af. Slechts het wonderlijke in de wereld, de „aanschouwde" macht Gods heeft macht over dezen mensch, zooals alles wat macht heeft in de wereld indruk op hem vermag te maken. En als nu geheel het leven een „dierbaar" bezit tot middelpunt heeft, waardoor elk ander bezit in de schaduw komt, zal dan niet hij, die dit bezit kan redden van den ondergang, aangebeden worden als de afgezant Gods !

Waar geheel het leven een dierbaar bezit tot middelpunt heeft, daar is slechts dit bezit in staat den mensch tot Godsgeloof te brengen.

Geestelijk rijp wordt de natuurlijke mensch eerst voor Gods oneindige almacht en liefde, wanneer hij al zijn geloof en hoop, al zijn liefde heeft gesteld in één enkel bezit.

Want dit is zelfverloochening. En eerst waar zelfverloochening is, kan God zich woning maken.

Wie niet kan opgaan in één enkel bezit, maar zich na elke ontgoocheling kan tevreden stellen met een ander bezit, is niet vatbaar voor het wonder des geestes, al zou het ook aan hem verschijnen op de meest natuurlijke wijze. Eerst als de mensch in zijn dierbaarste bezit al zijn geloof en hoop, in het sterven en heengaan van dit bezit al zijn liefde in een grondeloos duister ziet verzin-

Sluiten