Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IV. Ik ben tot een oordeel in deze wereld gekomen, opdat degenen, die niet zien, zien mogen, en die zien, blind worden. (Joh. 9 : 39)

De mensch, wiens geheele leven UIT-

gaat naar een dierbaar bezit, idealiseert, onbewust van eigen doen, dit wereldsche bezit tot iets onvergankelijks en eeuwigs.

En als dan plots het duister der wereld zijn rechten laat gelden, dit bezit wil ontnemen of vernietigen, beseft de mensch nog niet, dat het geloof aan de onvergankelijkheid van eigen ideaal bedreigd wordt.

Want dit toch moet achteraf begrepen worden, dat de „dierbaarheid" van een geliefd bezit eigenlijk een idealiseeren is van wat in eigen wezen als het tijdelooze en eeuwige verborgen is.

Ieder mensch, die zich hecht aan een bezit der wereld, idealiseert onbewust dit bezit met de vage droomen van eigen wezen.

En in zooverre die mensch dan door het wonder van buiten-af behoed wordt voor het verlies van dit allerwaardste bezit, zal hij onbewust rijp worden de openbaring van Gods oneindigheid door het wonder Jezus in den geest te beleven.

Sluiten