Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Innerlijk wordt elk mensch, wiens geheele wezen vervuld is van één alles overheerschend bezit, gerijpt tot innerlijke belevingen, waaraan de genietingen dezer wereld geen deel hebben. Deze mensch gevoelt, onbewust van eigen heimwee, zich niet meer voldaan met de genietingen dezer wereld; wie zijn leven kan geven aan wat hem in deze wereld het meeste waard is, heeft zich daarmede tevens aan de macht der wereldsche verlokkingen onttrokken.

De wereld is niet van God verlaten, in haar bezit vermag zij den mensch het onvergankelijke en eeuwige voor te tooveren.

Al wat der wereld is, heeft zijn oneindigen zin, doch de mensch, vervuld van den schijn der wereld en onbewust van eigen oneindigheid, verlangt van het oneindige een eeuwig standhouden in een onvergankelijk bezit.

Dit is het wreede spel der wereld voor allen, die nog blind zijn voor eigen innerlijk wezen. Maar toch ook is dit voor den wereldschen mensch de eenige weg, die hem tot inkeer zal kunnen brengen.

Die inkeer is er reeds bij den kranke van Betliesda, die acht en dertig jaren moet wachten voor hij genezen wordt. En het is hier nu niet zoozeer het wonder zijner genezing, als wel het wachten, hetwelk dien mensch tot geestelijk leven rijpt. Wie zooveel jaren moet en kan wachten, niet bij machte zich zelf te helpen, die moet wel steun en kracht zoeken in eigen innerlijk,

Sluiten