Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van menschclijkheid is: gespeelde hartstocht, gespeelde ellende, gespeelde blijdschap, en gespeelde diepzinnigheid. Ergens, eenmaal blijkt alles opeens en onherroepelijk; onecht. Slechts een product van handige belichting, bestaanbaar alleen bij een slimme mise-enscène marmer dat karton is, en juweelen van glas. Is die wereld van den schoonen schijn voldoende, om den mensch in den tooneelspeler gelukkig te maken? Lucka heeft heel scherp het genie van Shakespeare geteekend als dat der volkomen objectiviteit, dat zich veranderen kan in Macbeth en Cordelia, Jago en Florizel, Julius Caesar en Shylock; die eigenlijk is als Prospero, van wien bitter weinig overblijft, als hij tooverstaf en boek heeft weggedaan, Ariel en Caliban uit zijn dienst heeft ontslagen, en het toovereiland verwisseld heeft met Milaan. Gróót in zijn magiërsrol, klein in zijn menschelijkheid, althans doodgewoon: daarin ligt een stuk smartelijke levenstragiek.

Het zal wel geen toeval zijn, dat Shakespeare, zelf tooneelspeler, deze innerlijke klove zoo diep gepeild heeft: het is de typische tweespalt der Proteus-naturen, wier wezen opgelost is in enkel veelvormigen, veelkleurigen schijn — binnen in is het hol.

Dat is en blijft de populaire vorm van de tragedie in het leven van den tooneelspeler. ])

Ghéon's Genesius weet echter van een tragiek, die de omkeering is van dezen populaire vorm, te weten: het conflict tusschen den grooten kunstenaar en den nóg grooteren mensch in dien kunstenaar, conflict dat de gespannen gestalte van den speler verbrijzelt, en den mensch het leven in dezen vorm verder onmogelijk

1) E. Lucka, a-a-O. Bd. II S. 217 f. Ook in Edgar Lorm, beschreven in ]. Wassermann's roman, Christian Wahnschaffe kan men dit opmerken.

Sluiten