Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tragische „moraal" — als men dat zoo noemen mag: de liefde tot eigen lot, en de moedige bereidheid den onvermijdelijken weg ten einde te gaan. Zoo Luther: „Al waren er in Worms zooveel duivels als pannen op de daken, ik zal er toch heengaan."

Zoo kan ook de tooneelspeler het doen. Als hij de ontoereikendheid van zijn karakter, de begrensdheid zijner gaven, de ijdelheden èn de groote hoedanigheden van zijn wezen heeft gepeild, als hij kapot wordt gemaakt door wat zijn beroep hem oplegt, en hij blijft toch aan zijn kunst getrouw — dan brengt hij dat offer. Wat komt het er op aan .— zoo zal hij zeggen •— of ik verloren ga, als mijn kunst maar groot is, als het werk, waarvoor ik mijn leven heb ingezet, maar bloeit. Dat is de heroïsche zelfopoffering, de absolute dienstbereidheid, die den priester kenmerkt.

De tooneelspeler, die zoo zijn menschelijk leven opoffert aan de eischen van zijn werk, die geheel en al, en in letterlijken zin, opgaat in zijn kunst, die is die priester der tooneelkunst, de heilige danser voor het altaar, de liturg van dat groote mysteriespel, welks geheime leer die van het offer uit de volmaakte liefde is: „wie zijn leven verliest, die zal het behouden..

Zulk een leven is een voortdurend martelaarschap, een eeuwige zelfbevechting en zelfkastijding. Ik beweer niet, dat deze martelaren talrijk zijn onder de dienaren van Melpomene of Thalia. Zij zijn nimmer talrijk, onder de dienaren van welke muze of welken god dan ook. Ook niet onder hen, die zich noemen naar Christus.

Maar er zijn er dan toch. Geen groot geleefd leven, of aan deze ineensmelting van offer, zelfopoffering, en priesterschap heeft het zijn deel gehad!

Dit leven in den stand van priesterschap is genade.

Sluiten