Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de wetmatigheid der natuur een einde gemaakt"; wat wij vast waanden vervloeit onder onze handen en de menschelijke gedachte, niet in staat het wereldraadsel te peilen, is „Am Ende der Weisheit" 1). Of van andere zijde, waar „Die Ueberwindung des igen Jahrhunderts im Denken der Gegenwart" gevierd wordt, betoogt men hoe de twintigste eeuw hare nieuwe Renaissance kent; een jongste natuurwetenschap deed met haar relativisme en dynamisme de ijzeren banden van de klassieke mechanica springen en vraagt tegenover wetmatige continuiteitsen causaliteitsverhoudingen ruimte voor differentiatie en variatie, voor intensiteit en qualiteit, voor discretie en individualisatie; een anti-mechanistische, neo-vitalistische biologie legt nadruk op immaterieele vormkrachten en „Ganzheits"-verbanden; een verdiepte psychologie erkent de zelfstandige, scheppende kracht in het bewustzijnsleven; een pragmatische of vitalistische wijsbegeerte wees rationalisme en objectivisme af; een „dialectische theologie" maakte een nieuwe, radicale scheiding tusschen God en wereld, openbaring en cultuur, godsdienst en idealisme" 2). In deze stellingen spreekt de onrust van een na-oorlogsche wereld mede, die in ontreddering, crisis en revolutie het geloof in geleidelijke ontwikkelingen verloor, die nu humanisme en universalisme hoont, de „mythe" ten koste van de „rede" verheerlijkt en van hartstochtelijke geweldleuzen slechts haar heil verwacht. Terwijl begrijpelijkerwijze eene kerkelijke orthodoxie, met verwijzing naar de verwarringen van deze moderne wereld en naar de uitspraken eener modernste wetenschap de kinderen van dezen tijd terugroept naar de oude zekerheden. Waarbij dan van dat een en ander ook een vrijzinniger godsdienst den invloed ondergaat en in toenemende mate, bij verschillende har er vertegenwoordigers, geneigd blijkt tot aanpassingen en ver vloeiingen, tot een al te vlotte

!) Vgl. Mr. A. Anema, Grondslag en Karakter van de ItaliaanschFascistische Staatsleer. Kampen 1934.

2) Bij Karl Joël, Die Ueberwindung des 19en Jahrhunderts im Denken der Gegenwart. Kantstudien 1927, pag. 475.

Sluiten