Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de gehééle overlevering, met andere woorden, heeft geldigheid, hoe oud zij moge wezen en een hoe plechtig gewaad zij moge dragen, ja, hoe zeer zij gehoorzaamheid moge opeischen voor wat „overal, wat altijd, wat door allen" is geleerd en geloofd. Bij en boven de piëteit heeft de critiek, die uit waarheidszin geboren is, haar recht, omdat boven alle traditie de waarheid gaat; hier geldt, in ruimeren zin dan hij het bedoelde, een woord van Cyprianus: „de traditie zonder de waarheid is slechts de ouderdom van de dwaling", of een uitspraak van Tertullianus: „Dominus noster veritatem se, non consuetudinem cognominavit." *) Of men hoore, mits ook in niet te engen zin verstaan, Goethe in den „Diwan" (V, 14):

„Glaubst du denn, von Mund zu Ohr Sei ein redlicher Gewinst?

Überlieferung, o Tor,

Ist auch wohl ein Hirngespinst.

Nun erst geht das URTEII, an;

Dich vermag aus Glaubensketten Der Verstand allein zu retten,

Dem du schon Verzicht getan."

Intusschen, spreken wij van „waarheid" en van critiek in der waarheid naam, dan stellen wij ons voor de vraag wat wij met dat woord bedoelen en welke waarheidsnormen wij te erkennen hebben. Tegenover den gezagsgeloovige, die wil dat wij ons buigen zullen voor een of ander uiterlijk gezag, bedenken wij daarbij allereerst dat niemand redelijkerwijze eenig gezag erkennen kan tenzij het hem geloofwaardig voorkomt; tegenover den scepticus, die alle mogelijkheid om tot eenige waarheid te komen betwijfelt, verdedigen wij dat menschelijk denken en streven waarheidsgehalte hebben kan; tegenover den subjectivist, die tot de uitspraak komt dat „waarheid" niets anders is dan wat „iemand op dat oogenblik voor waarheid houdt",

1) Aangeh. bij Karl von Hase, Handbuch der Protestantischen Polemik, Leipzig 1894, pag. 81. Vert.: „Onze Heer heeft zich de waarheid, niet de gewoonte genoemd".

Sluiten