Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zetel, die na moeit' en zorgen,

Voor het dagelijksche brood.

Hem een zoete rustplaats boodt,

Welk een macht, houdt gij verborgen? . . .

'k Schikt' n zorgvol eens bij 't vuur,

Als 't voor mij, zoo dierbaar uur,

Van tehuiskomst had geslagen! . . .

Thans, helaas! vaart kille schrik,

Door mijn fel geroerde zinnen,

Als ik mijm'rend op u blik —

Gij brengt mij liet uur te binnen,

Nooit genoeg, door mij betreurd.

Toen ten prooi der felste smarte,

D' uitverkoor'ne van mijn harte,

Van mijn zijde werd gescheurd ! . . .

O, de avond was zoo schoon; Natuur, kalm en verheven,

Maar 't stormde in mijn ziel; De strijd van dood en leven,

Hield me' ademloos geboeid, Ik zat bij 't ziekbed nêer.

De handen saamgekneld en bad den Opperheer.

Om 's Eengeboor'nen wil, zich mijner toch t'ontfermen,

„Almachtige Vader! Heer, van dood en leven! red . . .

Een stille kuch verstoort mijn vurig zielsgebed.

'k Zie om, hij is ontwaakt: God! bleeker dan tevoren.

Vertoonen zich al meer de doodelijke sporen,

Der vreeselijke kwaal, op 't afgemat gelaat,

„Marie! zie, of mijn stoel, op d'oude plaats nog staat!

Sprak hij met flauwe stem ... rk Zou graag, die schoorie dreven,

,,Nog, voor mijn dood, eens zien, ontsluit, het venster, even;

,,[k haak naar frissche lucht; mijn boezem zwoegt en hijgt,"

'k Voldoe aan zi jnen wensch; terwijl hij 't dons ontstijgt.

En leid hem aan mijn arm, die als een riethalm beefde

Naar 't open venster, op zijn zitplaats, O, wat zweefde

Er op zijn gelaat een eng'lenglimlach, toen

Hij 't lachend veld aanschouwde, en 't versch en weeld'rig groen. Door Lente's hand gestrooid, de geur der bloemen dreven,

Door d'armen van het koelt je in 't ziekvertrek gedreven,

Ving hij met wellust op: het purper avondrood,

Dat op zijn bleek gelaat, een' zachten weerglans schoot,

Gaf het, een zweem terug, der blos van vroeger dagen.

'k Zat naast hem: d'eenen arm om zijnen hals geslagen,

Hield zijn ontvleesde hand, de mijne vastgekneld — Er heerschte een stilte, die iets grootsch aan 't hart voorspelt; „Marie! zoo ving hij aan, hoe plechtig, en verheven,

„Is d'avond ! O, de zucht, naar hooger, beter leven,

„Ontwaakt, bij' dit tafereel, met onweerstaanb're kracht, „Zie, d'avond daalt airede, en zegt ons, dat, de nacht,

Sluiten