Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Veel bleeke gestalten, met haat vaak vervuld, Als beelden van wanhoop, ellende of van schuld, Verdringen elkander met angstig gelaat, Dat bitterheid, wrevel of lijden verraadt.

Daar achter 't loket staat een man, taamlijk oud, Gewoon aan d' ellende, die hij hier aanschouwt.

Zijn blikken zijn somber, 't gelaat toont geen trek, Die deernis of meelij verraadt met gebrek,

„Geduld, asjeblieft, dan krijgt ieder een beurt!

„Neem dat maar weer mee, vrouw: 't is overal gescheurd. „Dat 's goed bij de vodden . . . Nu moeder wat jij ? „Acht stuivers dien doek en dat kleedje van zij."

En anderen weer dringen naar 't vreeslijk loket En dan naar de kas met een treurigen tred. Zij strekken begeerig de magere hand Naar 't weinig je geld voor het schamele pand. Hoe menigeen bracht hier een dierbaar kleinood. Herinn'ring aan iemand, ontrukt door den dood. Verkoopen ? .. . dat mocht niet. . . men minde zoo teer . . Maar 't monster verzwolg het... en nooit zag men 't weer.

Doch luister... wat klinkt daar zoo zacht en zoo lief ? „Och, lieve mijnheer, laat mij door, asjeblief." De groep schuift uiteen en de man aan" 't loket Gluurt vragend van onder zijn zwartzijden pet. Een lieftallig kindje, een meisje, treedt toe. „Zoo kleine, wat wil je?" — beleenen voor moe."— „IS een kind, je wilt snoepen" — de kleine verschoot En bevend herneemt zij: „Voor moe vraag ik brood."

„Wat!. . . brood'r1. . . zoo! . . . nu laat mij je pand dan

(eens zien."

Het kind kan haar traantjes geen weerstand meer bien. Zij kan niet meer spreken; . . . met bevende hand Ontvouwt zij haar schortjen en toont nu haar pand: Marietjen, haar speelpop, haar dierste kleinood, Waarop zij veel vochtige pareltjes goot.

Zij reikt haar en lispelt en snikt meer en meer: „Och, leen mij een gulden daarop, goeie heer!"

De man met het stalen gezicht pinkt een traan Tersluiks uit zijn neevlende oogen vandaan.

Stom staart hij naar 't kind en nog suist hem in 't oor: „Och leen aan mijn moeder een gulden daarvoor!"

Sluiten