Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

0p en achter hei fooneel.

Door Dr. E. LAÜRILLARD.

Voor te dragen door den Heer J. LAMMINGA,van Harlingen.

Piet Verduin en Jans van Doren,

Kunstgenooten van 't tooneel,

Hebben, achter de coulissen,

Telkens onmin en krakeel.

't Is ook heden weêr oremus,

Onweêr tusscheen hem en haar,

En veel bitse en harde woorden

Kruisen heftig door elkaar.

„Jij hebt rijk'lijk veel te zeggen,

Domme gans!" zoo mompelt hij.

,,'k Zal althans voor jou niet zwijgen,

Voor zoo'n quibus!" antwoordt zij.

,,'k Zou," zegt hij, „jou ernstig raden:

Neem je woorden wat in acht!"

„Denk je." spreekt nu zij weêr, „dat ik Van jou complimenten wacht?" —

Klingling!—-zoo gaat de schel, 't Gordijn wordt opgetrokken, Kn Piet Verduin, — maar thans Don Pachuca genoemd, —

Staat over Rosali, — zoo even Jans van Doren, —

Wier schoon en lieflijkheid hij zeer hartstocht'lijk roemt.

„Mejonkvrouw! 't is geen taal, uit vleierij geboren,

Als ik u noem een fee, een engel, een godin;

Uw oog is bron van licht, uw mond een roos der lente, En als een bloemendal is 't kuiltje van uw kin."

„O! als ik denken mocht: één, één miljoenste deeltje \ an wat ik voel voor haar, gevoelt weêrkeerig zij, —

'k Zou zeggen tot de zon: indien gij wilt aanschouwen 't Gelukkigst menschenkind, o zon, kijk dan naar mij!"

„Geloof me, o Bosalie! 'k ben op den top van zegen,

Wanneer mijn vlam in u een vonkje doet ontstaan, —

O! als ik dat maar wist, dan zou ik sterven willen,

Indien 't mijn wensch niet was, juist dan niet dood te .gaan

„Och! zwijg niet langer stil; ik kan zulks niet verdragen; De folt'ring is te hard; ik bid, heb medelij.

Ik zweer u. Ros al ie! bij ridderbaard en eere,

Dat u mijn ziel bemint, — — o, zeg! bemint gij mij ?"

Een blos kleurt Posalie, — zoo even Jans van Doren, — En nu hoort Piet Verduin, — maar thans Don Pachuca, —

Sluiten