Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE TANTE.

Wel foei! wat ben je ondeugend, nicht! 't Is zonde en schande, zoo'n gekrijt Van: ,,'k sterf! ik sterf!" Lichtzinnig wicht Ik zeg maar: een mensch gaat niet dood vóór zijn t:

Broêr! zeg niet ja! Want al die min, Dat laf gekus, dat fiauw gestreel,

Is anders niet dan wereldzin Ik zeg maar: niet trouwen is 't betere deel.

Daar heb je mij nu; — o! hoe vaak Sprak mij vergeefs een jong'lmg aan: „Mejuffrouw! 'k brand, ik smelt, ik blaak !" Ik zeg maar: al smelt er een, laat hem begaan!

Geloof me, nicht! 't is satanswerk, Dat liefdevuur, die minnegloed.

Besteed je dag voor school en kerk.

Ik zeg maar: geen heil is in vleesch eu in bloed.

DE MEID.

Mijn help toch! wat hebben ze een standje!

Wel is er me veul van ontgaan;

Maar toch, een vrijage is aan 't handje; Zóóveul heb ik heel goed verstaan.

Die heer schijnt de juffrouw te wille;

Maar, 'k merk wel, hij trefc geen mooi weêr. De tante was erg an 't bedille,

De juffrouw ging ijs'lijk te keer.

• Mijnheer was ook danig an 't bromme. — Dat heb ik wel opgeselveerd.

Hij zei: „As ik daartoe kon komme,

Me kind was dan misgealjeerd."

Hij zei: „Ik zei 't nimmer gedooge!

Meneer, hou dus je aanzoeken in! Kom nooit indirect voor mijn oogen, En uitdirect ook evenmin."

Wat nou indirect mot beteek'ne,

En wat beduidt: misgealjeerd,

En uitdirect, — kan 'k niet bereekne,

Omdat ik geen Fransch heb geleerd.

Maar alles te zaam zei 't vast weze:

Nooit wordt je mijn dochter der man, Dus, kom me nou nooit weêr, na deze,

Met al zukke dingsigheid an.

Sluiten