Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Nu, na zoo'n geval is de rust uit je ziel,

Je hebt niet meer 't ware vertrouwen,

En 'k zei daaróm gisteren nog tot mijn man; „AVe kunnen die Ka niet meer houën."

„Mensch! dat deê ik ook niet!" zegt nu met gewicht

Mejuffrouw van Poetren: „diefeggen In huis, dat zeg ik maar,—ja, sluit daar eens voor! "Wat wil daar je sluiting voor zeggen?"

„Maar 't komt van den opschik. Daar heb je onze Kee;

Eerst was 't nog een meid naar behooren,

Maar nu, — wel, het is of je een dametje ziet, Van achtren gestrikt en van voren."

„De standen zijn weg, en ook de ernst bovendien,

Het leven is, schijnt het, een pretje;

De voet moet op 't hakje, de hand in 't glacé, 'tCornetje maakt plaats voor een netje."

„O ja!" spreekt mevrouw Van den Diepe, „die trots,

Die laat zich in alles bespeuren.

Ik wil u maar even vermelden 't geval,

Dat kortelings mij moest gebeuren."

„Ik huurde eene dienstbod, en'k vroeg : „Nu, je naam?

Heet je - Anna of Geertrui of Line?"

„Neen," zei ze, „mevrouw! neen, ik heet ongewoon; Ze noemen me t'huis Adamine."

,,'k Heet eigenlijk Eva; zoo ben ik gedoopt;

En, ja, nu is dat wel gewoner,

En makk'lijker ook wel misschien, in 't gebruik;

Maar 'k vind Adamine toch schooner."

„Nu vraag ik je!" roept thans mejuffrouw Verkwijn,

„Dat is onbeschaamd zich verheffen;

Maar, — 't liegen en opstrijden nog bovendien, Dat kan je ook zoo smartelijk treffen."

„Ik vraag aan zoo'n deerne, — gelijk u ook vraagt,

Vriendin Van der Putten! — „Wel, meisje!

Je hebt toch geen vrijer? Want 'k weet, hoe het gaat: Dan wordt iedre boodschap een reisje."

„Wel neen, juffrouw!" antwoordt ze, „een vrijer? wel

(neen!

'tls zonde! Wat zou uwè denken?"

Nu goed! ik, och heer! ben eenvoudig genoeg,

Geloof aan haar woorden te schenken."

Sluiten