Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. Door zóó te reizen vindt Jezus gelegenheid om het Evangelie ook te prediken aan de Samaritanen. Niet alleen in Judea en Galiléa verkondigt Hij de blijde boodschap des heils, maar ook in Samaria brengt Hij de blijde tijding der verlossing. Over het gansche land gaat de Zon der gerechtigheid op, en ook het vroegere Efraïm ziet Zijn heerlijkheid.

3. Op deze reis rust de Heiland in de buurt van Sichar of Sichem, bij de Jakobsbron. Deze bron is door Jakob gegraven, om zelf een eigen drinkgelegenheid te hebben en niet afhankelijk te zijn van de heidensche inwoners. Uit vs. 6 blijkt, dat Jezus ons in alles gelijk is geworden. Hij is evenals wij vermoeid, en heeft dorst.

II. Jezus en de Samaritaansche vrouw.

A. De vrouw, met wie Jezus spreekt.

1. Zij is een vrouw, wier leven bevlekt is. Dit blijkt uit vs. 16 e. v. Jezus zegt, om haar aan haar zonde te ontdekken, en haar te openbaren, dat Hij haar kent: „roep uw man hier". Zij antwoordt: ik heb geen man, en de Heiland ontsluiert haar overspelig leven, door het snijdendscherpe woord: dien gij nu hebt is uw man niet. Zij leefde dus met den man van een ander samen. (De klemtoon valt op uw, niet op man).

2. Zij is ook een lichtzinnige vrouw, die haar geweten het zwijgen wil opleggen. Dit blijkt uit vs. 19. Wanneer Jezus haar aan haar zonde ontdekt heeft, zegt ze: Ik zie, dat Gij een profeet zijt. Onze vaderen enz. vs. 19, 20. Dit zegt ze niet uit belangstelling voor de geestelijke dingen maar om quasi-vroom door een theologische vraag te stellen, op een ander onderwerp te komen en de aandacht van haar zelf en haar zonde af te leiden.

3. Toch is zij een vrouw, die met de geestelijke quaesties wel op de hoogte is. Zie vs. 20 en 25. Zij is goed op de hoogte van de godsdienstige aangelegenheden der Samaritanen, en van het verschil tusschen haar volk en de Joden, en weet eveneens de Messiasverwachting, die ook onder de Samaritanen leefde.

B. Het gesprek, dat Jezus voert.

1. De Heiland, Die moe is, is toch niet te vermoeid om met deze vrouw te spreken, en naar aanleiding van de bron en het water, dat uit de bron welt, haar te verkondigen, dat bij Hem het levende water is te vinden (vs. 10 e.v.). Dan ontdekt Hij haar aan haar zonde, maar verkondigt haar ook de heerlijkheid van de nieuwe bedeeling, en het wezen der

Sluiten