Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en zusters, en noemt in één adem: zijn Moeder en broeders. (Matth. 12 : 46—50; Marcus 6 : 3; Joh. 2 : 12; Hand. 1 : 14). Jozef en Maria hebben dus zelf kinderen gehad. De namen der zusters zijn ons niet bekend, die van de broeders zijn: a. Jacobus, later hoofd van de Jeruzalemsche gemeente, en schrijver van den zendbrief (Hand. 15; Gal. 1 : 18, 19;

2 : 9; Jacobus 1 : 1); b. Jozef; c. Simon; d. Judas, de schrijver van den zendbrief (Judas : 1).

2. Deze broeders van Jezus willen eerst niet in Hem gelooven (Joh. 7 : 1—9), wat ook hieruit blijkt, dat zij met Jezus' zusters Hem van Zijn werk willen afhouden. (Marcus

3 : 21). Zij kunnen niet aannemen, dat Jezus, met Wien zij in het ouderlijk huis zijn opgegroeid, de Messias is, terwijl Zijn optreden in strijd is met hun aardsche verwachting. (Joh. 7:4). De vleeschelijke band, en het valsche Messiasideaal zijn oorzaak van hun ongeloof.

3. Hierin vervult zich ten volle de profetie van Psalm 69 : 9, waarin letterlijk sprake is van: mijn broederen en mijner Moeder kinderen. Christus heeft ook geleden het lijden van de verwerping door Zijn eigen broeders. Zijn volk, Zijn vaderstad, Zijn vaderlijk huis wil niet van Hem weten. Alle kringen keeren zich tegen Hem.

B. Jezus en Zijn broeders en zusters.

1. De Heiland heeft ze niet verworpen. Uit Joh. 7 : 1—9 blijkt, dat Hij ze wel bestraft; uit Matth. 12 : 46—50, dat ook die broeders en zusters Hem moeten verliezen als broeder, maar uit de eerstgenoemde Schriftplaats is ook duidelijk, dat Hij hen met liefde bejegent. En die liefde is ten volle openbaar na Zijn opstanding. Zijn kruis wordt Zijn broeders te machtig, en als Hij is opgestaan, breekt hun ongeloof. Zelfs is Jezus aan den oudste van Zijn broeders verschenen, om hem tot het volle geloof te brengen (1 Cor. 15 : 7).

2. De Heiland verwaardigt hun een plaats in de gemeente. Zij zijn bij de kleine schare, die biddend den pinksterdoop verwacht. (Hand. 1 : 14). Zij worden met de apostelen des Heeren door niemand minder dan Paulus in één adem genoemd (1 Cor. 9:5). Zij zijn predikers geworden van het Evangelie der genade. Jakobus wordt leidsman der Jeruzalemsche gemeente, zie sub A 1) en Judas noemt zich een dienstknecht van Jezus Christus.

3. In Jezus' broeders ziet ge de vrucht van Christus' verzoening; niet omdat zij vleeschelijke broeders waren, want het vleesch heeft hier geen nut, maar zoo wie den wil

Sluiten