Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. Christus stelt Zich ook tegenover de farizeeën en schriftgeleerden, wat betreft hun valsche messiasverwachting. Hij laat duidelijk gevoelen, dat hun aardsch ideaal verkeerd is, en leert de schare, dat Zijn koninkrijk niet is van deze wereld. Jezus heeft de leidslieden in geen enkel opzicht gespaard, maar ze bestreden, zonder ze ooit te ontzien.

II. DeleidsliedentegenJezus.

A. Het begin der vijandschap.

1. De vijandschap begint reeds, wanneer Jezus den tempel reinigt. (Joh. 2). Dan worden de joden reeds geprikkeld. Voorts moet zij verklaard worden uit het feit, dat iemand uit Nazareth, van zulk een geringe afkomst, zich als den Messias durft op te werpen. En eindelijk, dat Hij hen, de leidslieden, niet erkent. Christus doet, alsof zij niet bestaan.

2. Dit begin blijkt terstond a. in het feit, dat Jezus in Judea weinig geloof vindt en zelfs uit Judea gaat, om Zijn werk in Galilea voort te zetten, en b. in het feit, dat Nicodemus, uit vrees voor de joden, 's nachts komt. Dan is dus de vijandschap en de haat tegen den Man van Nazareth, ook ondanks de teekenen, welke Hij doet, en het woord, dat Hij als Machthebbende spreekt, reeds begonnen.

B. De groei van de vijandschap.

1. Tot dezen groei werken verschillende omstandigheden mee: a. de toenemende werkzaamheid van Jezus; b. Zijn aanhang onder het volk; c. de teekenen, die Zijn heerlijkheid prediken; d. Zijn optreden tegenover tollenaren etc.; e. Zijn viering van den sabbat (arenplukken, Matth. 12 : 1—8; genezingen, Matth. 12 : 9—21; Joh. 5), en ƒ. Zijn belijdenis, dat Hij Gods Zoon is; zij beschuldigen Hem van godslastering.

2. Deze groeiende vijandschap blijkt o.a. bij de genezingen op den sabbat (Matth. 12, Joh. 5); bij het gastmaal van Simon (Lukas 7); in hun beschuldiging, dat Christus de duivelen uitwerpt door Beëlzebul (Matth. 12 : 22—50; Lukas 8 : 19—21; 11 : 14—36). Vooral wordt hun woede geprikkeld doordat zij tegen Christus niets vermogen. Zij blijken telkens de minsten te zijn, en lijden een nederlaag. (Lukas 14).

C. Het toppunt der vijandschap.

1. De vijandschap bereikt haar hoogtepunt, wanneer Christus voor het laatst in Judea is. Dan hebben de farizeërs in Galilea zich ook tegen den Heiland gekeerd, en in Judea en Jeruzalem woedt de strijd op het felst. (Joh. 7 —10). Men besluit nu Jezus te dooden. Eerst zoekt men Hem te

Sluiten