Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het Evangelie te brengen (Matth. 10 : 6, 15 : 24). Zijn apostelen hebben de roeping om ook de heidenen tot de zaligheid te nooden. In 'Zijn volk slaat Christus niemand over. Hij roept rijken (b.v. Simon, den farizeër Lukas 7 : 36 e.v.) en armen (Matth. 11 : 5); aanzienlijken (Nicodemus, Joh. 3) en geringen (visschers van Galilea); schriftgeleerden en het gewone volk; ook tollenaren en zondaren (Lukas 15 : 1); de kinderen (Markus 10 : 14); allen noodt Hij tot Zijn heil.

2. Opmerkelijk is, dat Christus Zich vooral neerbuigt tot de armen en de zondaren. Tot de eersten, omdat de religie der schriftgeleerden zoo duur, en de vervulling van allerlei geboden en voorschriften voor armen niet doenlijk was; de armen hadden dan ook weinig troost, en hen troost Jezus met de prediking der vrije genade. En de laatsten, omdat de farizeën in hun eigengerechtigheid deze zondaren verachtten, en meenden, dat er alleen zaligheid was voor hen, die de wet volbrachten. Christus predikt, dat Hij gekomen is, om zondaren tot bekeering te roepen, en goddeloozen te redden.

3. Jezus heeft vooral in Galilea gepredikt. Ook in Judea heeft Hij wel de scharen om Zich verzameld, maar in Galilea ligt Zijn hoofdarbeid, omdat a. daar de vijandschap minder sterk was, en de officieële partij in Jeruzalem minder invloed had, en b. de harten zich meer openden voor Zijn prediking. Zoo heeft Christus alles gedaan, om de Joden te roepen (Lukas 13 : 34; 19 : 41, 42) en vooral bij Zijn intocht blijkt het, met hoeveel liefde Hij over Zijn volk bewogen was (Lukas 19 : 41).

II. De Jodenen Jezus.

A. Aanvankelijk aanvaard.

1. Het schijnt eerst, dat de Joden Jezus aannemen als hun Messias. Zij verbazen zich over Zijn leer, en zijn verslagen over Zijn wonderen, en van alle kanten stroomen de scharen toe, om door Hem geholpen en onderwezen te worden. Wij kunnen ons de ontroering, welke Christus' komst gewekt heeft, en de opschudding, die Zijn optreden veroorzaakte, niet sterk genoeg denken. Het is, vooral in Galilea, één beweging geweest, die van stad tot stad en van dorp tot dorp ging, en de menschen in groote menigte tot Jezus deed komen. De uitroepen van bewondering en aanbidding wijzen op aanvankelijk, zij het dan uitwendig, geloof (Matth. 12 : 23; Markus 1 : 27, 28; Lukas 5 : 26, etc.).

2. Deze toejuiching is meer dan enkel oppervlakkige

Sluiten