Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. Saulus van Tarsen, een jonge man (zie volgende schets) en ijveraar voor het farizeïsme, is bij den marteldood van Stefanus tegenwoordig geweest, en heeft de kleederen der moordenaren bewaard. Hij heeft een welbehagen in den dood der christenen, en organiseert een vervolging. Hij gaat zelfs in de huizen. De christenen worden in de gevangenis geworpen, en de gemeente moet zwaar lijden om Christus' wil (Hand. 8 : 1—4).

B. De gevolgen van die vervolging.

1. De vijanden bedoelen de kerk uit te roeien, maar God gebruikt de vervolging om Zijn werk uit te breiden. De christenen vluchten. Ze worden verstrooid in heel Judea en Samaria en prediken daar Christus, zoodat overal gemeenten ontstaan.

2. Filippus predikt in Samaria en doet daar groote wonderen. Daar is een toovenaar Simon, die door de prediking van Filippus zijn aanhang verliest en zich nu ook laat doopen. Petrus en Johannes gaan de gemeenten in Judea en Samaria opzoeken; zij komen ook in Samaria. Uitstorting van den Heiligen Geest. Simon wil voor geld die gave koopen. Hij wordt door Petrus ontmaskerd en bestraft. De kerk des Heeren neemt toe. (Hand. 8 : 5—25).

H. De prediking aan de heidenen.

A. Aan den kamerling uit Moorenland.

I. Deze kamerling heeft zeer waarschijnlijk door de verstrooide joden van den joodschen godsdienst vernomen, en ontevreden met zijn heidensche religie, is hij naar Jeruzalem getrokken om vrede te vinden voor zijn hart. Onbevredigd keert hij terug. Filippus wordt door den Heere tot hem gezonden op den woesten weg naar Gaza. Door de verklaring van Jesaja 53 worden de oogen van den kamerling geopend. Hij gelooft en wordt gedoopt. (Hand. 8 : 26—40).

2. In de bekeering van den kamerling wordt de belofte van de toebrenging aan de Mooren (Psalm 68, 87) vervuld, en de vloek van Cham opgeheven. Het Evangelie niet alleen aanvaard door Sem, maar ook door Cham. Deze gaat zelfs Jafeth voor.

B. Aan den romeinschen hoofd,man Cornélius.

1. Het Evangelie wordt ook aan Jafeth gepredikt en het eerst aan den romeinschen officier Cornélius te Caesarea.

Deze wordt ons beschreven als godvreezend, milddadig, God-zoekende. De Heere verhoort zijn gebed. Petrus, die te

Sluiten