Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leger der kinderen Israëls thans in beweging tot op den westelijken oever der Roode Zee. De hand des Heeren die krachtige daden doet, zal redding zenden voor zijn volk, schoon bij de zee van voren en bij den vijand van achteren geene verandering is te ontdekken, Mozes wil en het volk zal geloovende „de heerlijkheid Gods zien," en niet gelijk ons dwaalziek hart Gods orde altijd om wil keeren, door eerst Gods heerlijkheid te willen aanschouwen en daarna te willen gelooven. De wonderstaf in Mozes hand wordt nu op Gods bevel opgeheven en over de Schelfzee uitgestrekt en — o wonder wat gebeurt voor Mozes oog en voor dat van het geheele leger? — de zee scheurt van een en vormt een diepe wijde kloof; van het zuiden en noorden worden de wateren van een gescheiden die als kristallijnen muren van het westen naar het oosten van zeiven den weg aanwijzen, door God voor zijn volk bereid. Zeg den kinderen Israëls dat zij voorttrekken, zoo heeft de Heer het bevolen en alzoo moet het ook geschieden; want hij trekt zijn woord niet weder in. „Door al uw deugden aangespoord, hebt Gij uw woord en trouw verheven. Gij hebt mijn ziel op haar gebed, verhoord, gered , haar kracht gegeven! Het volk gaat met Mozes van den oever af en begeeft zich naar de diepte, het bed der Roode Zee. Voor het eerst ontvangt het de type van dien doop, waarvan wij wezentlijk deelgenooten "werden. O wonderbare tocht door de Roode Zee; bevat gij de geheimen en schaduwen die in de dagen des N. Testaments door het zegel des H. Doops worden opgelost? Redding en reiniging, ziedaar wat God bedoelt bij dezen heerlijken tocht voor Israël bereid, dat door Mozes in de wolk en Schelfzee is gedoopt. Nu kunt gij waarlijk voorttrekken vrolijk, met gejuich en zonder vrees, want de golven zullen u niet overstroomen. Ga heen en trek voort geloovig en dankbaar naar het land der ruste en laat het lied der verlossing door de woestijn in duizend echo's weergalmen, dat berg en dal en bosch en velden het vernemen: „Keer mijne ziel tot uwe ruste weder, gij zijt verlost, God heeft u welgedaan."

Het goddelijk drama is nog niet geeindigd. Er is eene bedreiging door Mozes op Gods bevel gesproken: „deze Egyptenaren die gij heden ziet zult gij niet wederzien in der eeuwigheid/' en dit moet thans nog op eene vreeselijke wijze vervuld worden aan Pharao en zijne legerbende. Ik zal ze achtervolgen en inhalen; ziedaar het machtwoord des vijands waarmede hij het voetspoor van Israël in de Roode Zee zal volgen. De Engel des Heeren met de wolk, wier schaduwzijde naar

Sluiten