Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EENE LENTEBESGHOUWING.

L E E R R E D E

OVKR

Marc. IV: 26 —29.

DOOIt

w. J. THIJSSEN.

Predikant te Smilde.

- t»@<M

Gezongen Ps: XIX: 1; Ps. LXV: 1, 8 ; Ps: CXXVII: 2.

VOORAFSPRAAK.

Dat de schepping in elk jaargetijde T, H! een geheel bijzonder voorkomen aanneemt, dat elk jaarsaisoen als 't ware op liet gansch gelaat des aardrijks zijnen eigenaardigen stempel zet, wordt inzonderheid dezer dagen bevestigd; dit geldt inzonderheid van de Lente met hare kenmerkende bijzonderheden. Bepaalden we eenige weken geleden uwe belangstellende aandacht bij eene winterbeschouwing: scheen het ons toen, waar de wintervorst met zulk eene snelheid uit zijne sluimering wakker werd, alsof voor zijnen killen adem alles wat leefde noest sterven, dat die winterlevenloosheid der natuur geene uitputting des onvermogens was, maar slechts een zachte slaap, waarin hare levenskrachten gedompeld waren , hiervoor hebben wij 't kennelijk bewijs in de Lente met haar eerste groen. A\ as voor eenigen tijd de aarde eene uitgestrekte ijswoestijn, waren de planten verdord, was hunne schoonheid verdwenen, hieven woud en plantsoen de takken bladerloos omhoog , waren beeken en stroomen tot ijs gestold , in hunnen loop gestremd, thans is daar buiten de schepping bezield geworden, een adem des levens is in de geheele natuur doorgedrongen. \\ aar alzoo in deze dagen de geheele schepping uit het graf opstaat, waar nog onophoudelijk duidende planten en gewassen tot een tooi des velds, en eene liefelijk»

Sluiten