Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wachten, dat het nu langzamerhand tot vollen wasdom zich ontwikkelen zou. Nadat eenige tijd verloopen was , vertoonde zich de vrucht; hierop werd de sikkel in het rijpe koren gezonden , en de oogst was aangebroken. Is het alzoo ook gesteld in het koningrijk der hemelen, dat door den Heiland gegrondvest, zich zou uitbreiden over de gansche wereld; dat deze beschouwing, door Jezus aan de natuur ontleend, belangrijke en nuttige wenken jjeeft tot eene regte beschouwing van het genadewerk Gods in 't hart van den zondaar, zal nader blijken als we eene schrede verder gaan, en onderzoek wenschen te doen naar de treffende waarheid, die er voor ons in deze schoone gelijkenis is vervat.

II.

Het koningrijk der hemelen is gelijk aan een zaad, dat in de aarde wordt geworpen. Bevat het zaad TH.! het beginsel van 't leven der plant, die straks tot een tooi des velds uit den schoot der aarde zal te voorschijn komen, onder de voorstelling van een zaad, in den akker geworpen, leert de gelijkenis de prediking des goddelijken woords kennen , als het vruchtbaar beginsel door God met wijsheid tot middel bestemd, om een nienw leven te werken. Van daar, dat de Heere de prediking des woords verordend heeft en in 't midden der gemeente in stand zal doen blijven, niet slechts op Jat de kerk door alle wentelende eeuwen immer vruchtbaar zou zijn om Hem kinderen voort te brengen, maar opdat ook een iegelijk, die doordat onvergankelijk zaad des woords is wedergeboren tot een nieuw leven, zijne dure roeping moge verstaan en gevoelen, om steeds dat zaad rondom zich uit te strooijen, het tevens tot eene dierbare taak achtende om zich hiervan met getrouwheid te kwijten in welken maatschappelijken of godsdienstigen kring zich ook bewegende. Elk toch is ten duurste verpligt, om naar het licht en de genade hem door God geschonken, dat zaad uit te strooijen. Grooteen heerlijke taak, steeds bezig te zijn om anderen voor Christus te gewinnen ! en toch door hoe weinigen maar beoefend? Want in plaats hiervan hoort men zoo vaak: »Ben ik mijns broeders hoeder?" En toch verpligt u hiertoe de liefde en het bevel van Christus, daartoe verbindt u het zalige van 't geen in de gemeenschap met God wordt genoten, om zulks ook anderen, die daarvan nog onkundig en vervreemd zijn, met woord en daad aan te prijzen, en de dienst van Jezus beminnelijk te maken. Is het dus de gewigtige taak waartoe we geroepen worden, om door het uitstrooijen van 't zaad des goddelijken woords,

Sluiten