Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat in liet dagelij ksch leven u wordt toegesproken, ja iedere ramp die ge op uwen levefisweg ondervindt, is de arbeid van Gods zoekende liefde en ontferming. Dat echter tot hiertoe alles zonder een weldadig gevolg is gebleven, hiervan zijt gij de schuldige oorzaak. Stuit alles op uw ijskoud hart af, belijdt het toch in ootmoed voor God dat, hoewel zijne lankmoedigheid zich nog gedurig met u bezig houdt, gij de onwillige zijt om op te merken. Laat God u door liet woord, zijne trekkend e en wederbarende genade verkondigen , opdat gij bidden zoudt om dien goddelijken wasdom , smeekt toch den Heere Jezus, dat Hij die natuurlijke vijandschap in u moge verbreken en ge een regt inzien in uwe zonde verkrijgende, bekommerd moogt worden over hetgeen waar omtrent gij tot hiertoe zorgeloos zijt geweest.

Dan welligt zit hier of daar de eene of andere twijfelmoedige ziel ter neder, begeerig om te mogen vernemen, waaraan zij het kan weten, of ze waarlijk tot dat koningrijk van den Heere Jezus behoort. Zoo God u immer die genade heeft geschonken, dan moet dit in u waarachtig zijn geworden, dat ge niet slechts zijt overtuigd geworden van uwen verlorenen toestand, welk gezigt in u eene begeerta verwekt heeft om u hierover voor God te verootmoedigen, maar dat gezigt moet ook in uw hart hebben verwekt eene begeerte , naar de volstrekte noodzakelijkheid van 'sHeilands volmaakte geregtigheid. Heeft God u die genade aanvankelijk geschonken , dan zal die kennis van zich zeiven , dat begeeren van Jezus geregtigheid, tij u geene voorbijgaande hartstogtelijke aandoening des harten zijn, maar die kennis zal steeds toenemen, dat begeeren zal eene bijblijvende hebbelijkheid in u wezen, eene hebbelijkheid, die wel niet altoos even sterk in daden zich openbaart, ja die soms een geruimen tijd kan onderdrukt worden, maar die evenwel, al openbaart ze zich ook in stille verzuchtingen, toch nooit geheel zal ophouden in U te zijn. En kunt gij nu niet ontkennen dat ge aanvankelijk van uwen natuurstaat zijt overtuigd geworden, maar maakt het u moedeloos, ja dikwerf zeer beangst waar het genade werk Gods niet doorbreekt noch bij u schijnt voort te gaan , gelijk de landman voor de vruchten van zijn veld lankmoedig is, totdat zij de vroege en spade regens hebben ontvangen, zoo weest ook gij lankmoedig, Gods wegen niet vooruit loopende , zoo eerbiedigt zijne ordeningen en beschouwt met stille onderworpenheid zijne leidingen. Belooft een snelle groei niet altoos rijk beladene airen, den dag der kleine dingen niet verachtende, zoo dankt God voor 't geringste spruitje, dat zich boven den grond vertoont, want hoe klein en gering de beginselen ook mogen zijn, het is een bewijs dat de

Sluiten