Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op een gelooven in en deugdzaam leven voor Hem, dat slechts in wat uitwendigs bestaat, en waarbij men een vreemdeling blijft van dat geloof, dat liet liart reinigt van doode werken, en van den wandel in de zalige gemeenschap met God. Eust er dan niet op, dat gij onder den dag des Evangelies leeft, eu nu minder noodig hebt dan Slvieon ter toebereiding voor den dood. Denkt aan het woord des Heilands: lenzij iemand wedergeboren worde, hij kan het koningrijk Gods niet ingaan; zalig zijn die dooden alleen, die in den Heere sterven. En dat beteekent? Dat wij met Christus ten naauwste werden vereenigd, zoo dat wij één Geest met Hem wierden, en dat het voorregt dat Simeon genoot ook het onze mogt worden; dat ook de Heilige Geest op ons was, en ciirlstüs in ons hart, en ons hart in Christus leven deed. Kust dan niet op uwe kennis en gaven, op uwen ijver voor de waarheid Gods, maar vraagt of uw hart^ in gemeenschap met Jezus, in gemeenschap met God zich beweegt, en denkt: een Bxleam zag de gezigten Gods en profeteerde; een Jehu ijverde voor den Heere , maar toch was zijn hart aan de zonde gebonden; en Paulus schreef: Al ware het dat ik alle de verborgenheden kende , en alle de wetenschap bezate, en de liefde niet had, het zou mij geen nuttigheid geven. Neen, Gel.! rust dan ook geenszins op uwe betrachtingen; denkt aan den Pharizeër en aan den rijken jongeling. Wij prijzen ijver voor, en kennis van de waarheid met uitwendige betrachting. Och, werd zij er meerder gevonden in onze donkere dageu! maar waar men voor de eeuwigheid steunt op zijne deugden, men zal het dan te laat beklagen, niet te hebben opgemerkt de betuiging des Heeren: Zoo velen als er liit de werken der wet zijn, die zijn onder den vloek. Eust dan ook niet op beweging des gemoeds, op angsten des gewetens , op het schreijen van tranen, gevolgd door verlaten Van de besmetting der wereld. Wat wij daar noemden is Hoodig tot zaligheid, en wordt gekend daar de Heere toebereidt voor het sterven in vrede. Maar wordt het voor ons een grond van rust, vleijen wij ons daarop met de eeuwige

Sluiten