Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zonde en de vloek der wet, met betrekking tot de uitverkorenen op hunnen Borg en Middelaar overgegaan, heeft Hij ze gedragen en aan de geregtigheid Gods voor dez-'lve voldaan, door in Gethsemané en op Golgotha helsche ziels- en ligchaamsangsten voor de Zijnen te ondergaan, dan zijn zij nu verlost van den vloek, en de wet heeft hare veroordeelende kracht, op 's Heeren Volk, het erfdeel van Jezus, verloren'. De wet is voor hen door Jezds vervuld, zij zijn onder Zijne heerschappij voerende genade gekomen en zijn dus in dit opzigt volkomen vrijgemaakt. Gelukkige toestand!

De geloovige is, ten tweede, vrijgemaakt van de heerschap« pij der zonde. Van natuur leeft de mensch in de zonde als in zijn element, en zij heerscht geheel over hem. Doch anders wordt het met hen, die de waarheid verstaan: zij leeren hare heiligende en vernieuwende kracht door de werkingen des Heiligen Geestes bevindelijk kennen, tot aanvankelyk'e verlossing van de zonde. Wel is het waar, dat de zonde in haren aard en in hare schrikkelijke gevolgen, juist het beste door geloovigen gekend en gezien wordt. Dit blijkt ons ook uit David, wanneer hij volgens Ps. LI: 5 uitroept: »Ik keu mijne overtredingen, en mijne zonde is steeds voor mij." Het is er ook ver van daan, dat de geloovige niets meer met de zonde zou te doen hebben. Hij heeft dagelijks met haar te worstelen en tegen haar te strijden. Ziet dit in Paulus als in een luisterrijk voorbeeld, bij Rom. VII. Wat klaagt hij in dat hoofdstuk over de bittere uitwerkselen van zijne overgeblevene verdorvenheid! Zoo, dat hij eindelijk in vs. 26 besluit: »Ik zelf dien wel met het gemoed de wet Gods, maar met het vleesch de wet der zonde." En het is zeker f dat elk geloovige den bevindelijken toestand, dien Paulus openbaarde, ook bij eigene ervaring leert kennen. Doch juist deze strijd tegen de zonde is een bewijs, dat men zich niet meer onder hare volkomene heerschappij bevindt. Zoo lang dit toch het geval is, is er eigentlijk geen strijd, maar

Sluiten