Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Laödiceërs, die rijk en verrijkt waren en geens ^gebrek hadden en niet wisten, dat zij waren: arm, jammerlijk, blind en naakt! Zoolang wij onze schuld niet zien, de onmogelijkheid om te betalen niet beseffen en van de noodzakelijkheid der voldoening niet overtuigd zijn, zullen w.j geene beho f hebben aan den Borg. Van nature nu zijn wl3 verdu'sterJ het verstand, vervreemd van het leven Gods door de 01 we tendheid, die in ons is, en door de verharding onzer harten. En evenmin als een blind mensch in de natuur in een spiegel zijne gedaante kan aanschouwen, zoo min kan on keerd mensch in den spiegel der wet zijne geestelijke onreinheid en melaatschheid kennen. Hij kent den geestelijken zin,der wet niet en denkt met den Farizeër het al ver gebragtte hebben, indien hij alle geboden in den letterlijken zin hee onderhouden als hij geen afgodendienaar, geen Vioeker, geen lasteraar, geen sabbathschender, geen vader- en moedermoorder, geen dief, geen doodslager en geen hoereerder is.

En al is men overtuigd van zonden, men denkt God met eene lippen-belijdenis, met tranen en uiterlijke verbeten g

wel te kunnen tevreden stellen. ,

Maar als God iemands oogen opent zoo leert hij z j ven als geestelijk onrein en melaatsch kennen ; al heeft hij ook met een Paulus naar de bescheidende sekederJode seleefd toch moet hij uitroepen: „ik de grootste der zon daren!" Hij ziet dan, dat alle zaden der boosheid in zijn hart huisvesten en dat het de bewarende hand Gods is d

de zonden nog binnengebleven en niet openbaar geworden zijn. Hij aanschouwt God nu als een vlekkeloos, hel, e«an te rein van oo<*en, om het kwade te aanschouwen. Hij ziet, h j van God gunft gescheiden, van Gods beeld beroofd en onderworpen aal den e'euwige,, vloek en toorn God, De wet beschuldigt en verdoemt hem, zijn geweten veroordeel bem. I 'J ^t. hii in plaats van te kunnen voldoen, zijne schuld nog dagelj

meerder maakt. Hij verfoei, ri.h «l.en en ei «e. «.. m„»d en hart: o wee mij, dat ik zoo gezondigd heb. lhj i.met Efraïm beschaamd en schaamrood om zijn aangezi^ heffen naar den hemel; want hij moet getuige . „ J geregtigheden gaan over mijn hoofd!" Hj moet «oh bq God aanklagen en God regtvaardigen, al wilde Hij hem voor ee "g Ïz : aangezigt .ers.oo.er, Hij «anh.opt aan ei<*en verstand en krachten en gaat uit met do ve g vraag is er nog eenig middel, waardoor ik deze straf zou kunnen ontgaan en weder tot genade komen? Hij ziet, aan *

Sluiten