Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woorden gaan met zooveel kracht vergezeld, dat de ziel niet anders kan of hij moet Christus aannemen en God op Z.tjn woord gelooven. Nu is de geregtigheid van Christus de zijne en hoe onrein ook in zich zeiven, zoo staat hij nu voor God, alsof hij nooit zonde gedaan heeft. Ook kan het licht des Geestes zoodanig opgaan in de ziel, dat hij het werk der genade in zijn hart aanschouwt, uit de vrucht der regtvaardigmaking, vrede met God, mag besluiten tot die groote weldaad zelve, en aldus getuigt zijn geest met Gods Geest, dat hij een kind Gods is. Christus is nu alleen het fondament zijner hoop; Hij is het eenige voorwerp zijner liefde. Hem te belijden is zijn element. Hem onbepaald en onbedongen te volgen zijn. lust en zijn leven. De wereld haat hij; al hetgeen hy geniet in de wereld, beschouwt hij als verbeurde giften uit Gods genadehand; zijne ziel is in den hemel, waar zijn schat is. Christus wordt hem in al Zijne graveerselen hoe langer hoe dierbaarder, hij behoeft Hem nu niet alleen meer als Friester, maar ook als Profeet en als Koning. Ln waar hij latei ontwaart, dat lnj nog zulk een aardschgezind hart omdraagt daar is hem zulks tot smart en het heet met Davul: wat kleeft mijne ziel aan het stof, maak mij levend naar uw woord." O 'hoe gewigtvol is die taak; uit te gaan tot Christus, buiten de legerplaats! Niemand kan, wil of zal uitgaan, tenzij God hem uitleidt, hem gewillig maakt op den daD Zijner heirkrachten. Niemand kan of wil in Jezus gelooven, op Hem hopen, Hem liefhebben, belijden of volgen, tenzij God dat geloof werkt. Niemand zal aan God zijn hart geven, tenzij de Lieere het neemt. En ook bij den voortgang zou de geloovige nog terugkeeren tot die legerplaats, wanneer God hem niet weerhield. O er zijn zoo veel wolven, die 111 schaapsklederen komen, om de geloovigen tot den terug-eer te bewegen, even als onder de Hebreeuwsche Christenen, liet wettische en wereldschgezinde bestaan is nog ten deele in hen overgebleven en van daar zijn zij zoo ligt te verleiden Maar hoe gewigtvol dat uitgaau tot Christus moge zijn. God het Die het willen en werken werkt naar Zijn welbehagen, en ' Die ze in Zijne kracht bewaart door het geloof tot de zaligheid. Maar hoewel het Gods werk is, zoo wil Hij nogtans middellijk werken, en vandaar de opwekking: „zoo laat

ons dan tot Hem uitgaan" enz.

Toeli. zijn wij reeds uitgegaan tot Christus builen de legerplaats? Velen onzer zullen het reeds beleden hebben, dat er door de werken der wet geen vleesch geregtvaardigd wordt,

Sluiten