Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i

aan uw doop en belijdenis veel beter te beantwoorden dan velen, die immers van kerk en godsdienst niets willen weten. En ofschoon gij nog toestemt dat gij wel beter mogt leven, zoo weet gij het echter al zeer wel te bedekken, en zegt dat gij niet kunt volmaakt zijn, en zoo toont gij dan uit uw gedrag en wandel, dat gij niet geestelijk arm zijt.

Toch zijt gij het. Daarom geldt u het woord: Gij weet niet dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt, Openb. 3 : 17. Rampzalig zijt gij, want dus blijvende zult gij den toorn Gods niet ontvlieden. Of meent gij dat de regter der gansche aarde geen regt zal doen? Zult gij Gods wet overtreden, en zou de Heere dat niet waarnemen?

Of, zoo gij zoo niet uitbreken kunt in alle bandeloosheid, meent gij dat God niet weet hoe verkeerd uw hart daaronder gesteld is? Zoo dat gij God niet vreest, maar nog al meer zoude tot zonde zoudt doen, als gij maar gelegenheid hadt. Wat is dit anders, dan een volslagene Godverloochening? En wat is uw Godsdienst? Is dat God dienen als gij voor Zijn heilig aangezigt verschijnt zonder behoefte, zonder arm van geest zijn? O neen, de Heere zal het u eenmaal aanzeggen: Ik heb geroepen, maar gij hebt geweigerd, Ik heb mijne hand uitgestrekt, maar gij hebt de tucht niet aangenomen, zoo zal Ik in ulieder verderf lagchen, en Ik zal spotten als uwe vreeze komt. Och leerdet gij u zelven eens kennen, gij zoudt verbaasd staan over uwe dwaasheid, maar tot nog toe is het verborgen voor uwe oogen. Echter niet zoo, dat het u nog eeuigermate zoude verontschuldigen, o neen, gij zult niet kunnen zeggen: wij hebben dit niet geweten, maar uw boos en ongeloovig hart heeft al die dingen, die tot uwe ontdekking dienstig waren, verworpen; gij hebt uwe volslagen onmagt en vijandschap tegen God nimmer willen instemmen, en wanneer gij van onmagt hoordet, hebt gij er achter willen schuilen, zonder haar als uwe schuld voor God te belijden.

Hoort dan nog eens: zalig zijn de armen van geest, want hunner is het koningrijk Gods. Maar rampzalig zijn die rijk zijn in hunne oogen; want hun einde is de dood en het eeuwig verderf. Mogt dit nog van u geloofd worden, zoudt gij dan niet vragen: is er nog raad, is er nog ontkoming? Wij zouden u dan van 's Heeren wege toeroepen: Ja het is nog de welaangename tijd, het is nog de dag der zaligheid. V"aagt gij hoe die te bekomen? Wel,'is het u ernst, vraagt dan den Hëere om ontdekkend licht; dit wil de Heere u schenken; en dan zult gij zien dat gij Gods gunst

Sluiten