Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mist, en dat de Heere van wege uwe zonden, u een vertoornd regter is, in wiens hand uw leven en uw adem is, en van wien gij tot nog toe gedragen zijt, en zoo veel goeds ontvangen hebt, maar die van u niet anders dan met zonde, vijandschap, en ondankbaarheid beantwoord is; dan zult gij verwonderd zijn, dat God u nog zoo lang gedragen heeft, en gij niet voor eeuwig reeds afgesneden zijt, en al voor lang in de helle geworpen werd.

Dan zult gij zien dat gij voor God niet kunt bestaan, die eene volmaakte geregtigheid vordert; en dat gij ontbloot zijt van die geregtigheid, en dus volgens Gods regt voor eeuwig verloren. Maar wie zou onder zulk een gezigt kunnen leven? zegt gij welligt. Gevoelt gij niet dat gij daar arm wordt? Gij zult zeggen ja; welnu houdt aan bij den heere om licht, en Hij zal u een arme van geest maken, om u het zalig Evangelie, daar gij nimmer behoefte aan hadt, dierbaar te doen worden; daaruit zult gij verstaan, dat Jezus in de wereld gekomen is om zondaren zalig te maken, ja al waart gij de voornaamste. Hij heeft als borg voor zondaars voldaan, en deze zijne geregtigheid door liet geloof omhelzende, krijgt de ziel vrede met God. Arraagt gij hoe komt men daaraan? De heere heeft gezegd: zij zullen komen met geween, en met smeeking zal ik ze voeren, ik zal ze leiden aan de waterbeken, in een regten weg, daarin zij zich niet zullen stooten, Jer. 35: 9. De Heerk is bereidwillig, komt tot Hem en uwe ziele zal leven. Maar weet ook dat lief uit genade is zalig te worden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave. Eph. 2:8.

Zalig zijn de armen van geeste; gij die uw naaktheid ziet en betreurt, dit raakt u, niet dezulken die het wel weten, en nu en dan wel eens zuchten, neen dezulken drukt het niet zwaar. De armoede drukt, het gebrek drijft den behoeftigen uit, maar gij die het alleen weet, het is eene ziekte bij u die gij wel dragen kunt; het bedelen aan den genadetroon zijt gij zoo spoedig moede, en als gij niet dadelijk geholpen wordt, beschuldigt gij den Heere van hardheid, oi gij vleit u: het is nog niet buiten hope — en daarom wordt gij niet ziek. O, mijne hoorders die in zulk een toestand u bevindt, weet dat uw staat gevaarlijk is, want gij zijt de dwaze maagden gelijk, die wel lampen hadden, maar geen ohe in hunne vaten. De Heere zal u ook eenmaal toeroepen: lk ken u niet. Mogt gij nog zoeken gered te worden, eer het

voor eeuwig te laat zal zijn.

Maar nog eens: zalig zijn de armen van geeste. Gij die

Sluiten