Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kwamen anderen mieren nooit of te nimmer te na. Van anderen hadden zij dus niets te vreezen, want vijanden hadden ze zich niet gemaakt. Ook hadden anderen hun vrede niet verstoord.

Maar op een mooien zomerschen dag werd plotseling op de naburige heide een stampen, brullen en blazen vernomen. Het was de os van de buitenplaats, die buitenaf verdwaald was geraakt en nu zocht naar een voorwerp, waaraan hij zijn razernij kon koelen. Omgevallen boomen en omvergeloopen hoopen aarde wezen zijn spoor aan. Het was volstrekt niet de eerste keer, dat de mieren hem hadden hooren voorbijtrekken. Maar ofschoon zij wisten, dat de os tot de ergste vijanden van de mieren behoort, waren zij toch heelemaal niet bang voor hem. Want zij wisten, dat zij den os nooit iets in den weg hadden gelegd. Dus zou hij hen ook dezen keer wel voorbijgaan en hen met rust laten.

Maar toen de os voor het mierennest kwam te staan, werd hij geweldig boos en brulde als een razende. Hij stak zijn kop naar beneden en met zijn eenen horen verwoestte hij het dak van dennenaalden, dat op het mierennest lag. Toen ontstond er een onrust en beweging in het nest en tegen den kop van den os werd een vloeistof geworpen, die zengde en kwalijk rook.

Toen werd de os steeds boozer en boorde met allebei zijn horens in het mierennest en slingerde de helft ervan over zijn kop het bosch in.

Het ziedde in het nest als in een kokenden ketel.

De os snoof door zijn neusgaten en sloeg onheilspellend met zijn staart. Toen wierp hij zich ten derden male op het mierennest, stiet zijn horens diep er in, trapte het met zijn voorpooten ineen en verbrijzelde kamers en gangen, zoodat de larven, poppen en witte eieren ver in het rond terecht kwamen.

Na dit stuk te hebben volvoerd, ging hij brullend en snuivend zijns weegs, liep stammen omver en gooide ook andere nesten overhoop, zoodat met den grond gelijk gemaakte mierennesten zijn weg aangaven. ■

Sluiten